De leerlingen moeten leren om het doel van hun vraaggesprek te bepalen, en het gesprek voor te bereiden via een lijst met vragen of aandachtspunten. Ze moeten leren om hulpmiddelen (cassetterecorder; pen en papier; notulant) te kiezen en te gebruiken; en ze moeten leren om de verzamelde informatie samen te vatten en te gebruiken binnen het kader van een betogende tekst of een werkstuk (zie hoofdstuk 3, Schrijven 10 en 11), Maar vooral moeten ze leren om verschillende soorten vragen te onderscheiden om te stellen: vragen over feiten ("hoe oud ben je?") en vragen naar meningen ("ga je naar een leuke school?"); gesloten vragen ("ga je naar een leuke school?") en open vragen ("hoe vind je je school?"); startvragen, vragen waarmee je doorvraagt, en vragen waarmee je controleert of je de ander goed begrepen hebt. Voordat de leerlingen zelfstandig iemand buiten de klas een vraaggesprek gaan afnemen, moet al het bovengenoemde binnen de klas aan de orde zijn geweest, in de vorm van deeloefeningen gevolgd door proefvraaggesprekken met leerlingen als ondervraagde.
Opbouw vraaggesprekken
Vraaggesprekken komen aan bod vanaf jaar 2. In dat jaar worden ze geoefend binnen de klas, met leerlingen als ondervraagde, en ligt het accent op de technieken van gesprek voorbereiden en doelgericht (door)vragen. In jaar 3 nemen de leerlingen een deskundige buiten de klas een vraaggesprek af; de informatie die ze daardoor verzamelen verwerken ze in een betogende tekst of werkstuk.
Lessuggesties vraaggesprekken
Geef leerlingen vraaggesprekken uit kranten en tijdschriften en laat ze de gestelde vragen indelen als boven beschreven. Doe hetzelfde met opnamen van vraaggesprekken van radio en TV.
Laat leerlingen "mee interviewen" bij vraaggesprekken van radio en TV, door regelmatig de band stop te zetten en de leerlingen op te laten schrijven wat zij nu zouden vragen. Bespreek klassikaal hun alternatieven; ga in op het soort vraag die ze stellen en waarom ze die stellen. (bron: Lesideeën, 075, pg. 39).
Geef de leerlingen voorbeelden van vragen + onduidelijke antwoorden, bijvoorbeeld: "Wat doet je vader? 0, die werkt voor zichzelf'; "Was die walkman duur? Ja, best wel"; "Word je gediscrimineerd omdat je zwart bent? Ik vind van wel, ja". Laat ze opschrijven wat hun volgende vraag zou zijn om een duidelijker antwoord te krijgen; bespreek klassikaal de alternatieven. (bron: Nieuw Nederlands, deel 1, pg. 88).
Laat' de leerlingen in duo's persoonlijke vraaggesprekken van ongeveer 15 minuten met elkaar houden, bijvoorbeeld over schoolervaringen tot dat moment, hobby's, wat ze denken over een bepaald probleem. Ze moeten zich hierbij speciaal oefenen in doorvragen. Laat ze vervolgens informatie selecteren om mee te delen in de klassikale nabespreking.
Laat de leerlingen beroepen van elkaars ouders inventariseren, en een beroep uitkiezen. Laat ze bedenken wat ze zouden willen weten over het door hen gekozen beroep, en een lijst met vragen of aandachtspunten opstellen voor een vraaggesprek over dat beroep. (naar Schrijfdraad, pg. 125).
Laat leerlingen een vraaggesprek horen of zien van ongeveer 10 minuten. Laat ze aantekeningen ervan maken, informatie eruit selecteren, en een samenvatting schrijven (bron: Schrijfdraad, pg. 126).
Laat leerlingen een persoonlijk portret lezen van een leeftijdsgenoot. Laat ze
44