en toetsbaar zijn in de gegeven omstandigheden. Anders gezegd: voorstellen moeten niet alleen wenselijk zijn, maar ook uitvoerbaar. Ik begin met het laatste.
Uitvoerbaarheid
Onderwijsvernieuwers hebben de begrijpelijke neiging zich vooral door de wenselijkheid van hun ideeën te laten leiden. Of de uitvoerders, de leerlingen en leraren, hun woorden ook in daden kunnen en willen omzetten, lijken ze van secundair belang te vinden. De CVEN heeft zich anders proberen op te stellen. Reeds bij de eerste concepten heeft ze rekening proberen te houden met de onderwijs- en toetsbaarheid van haar voorstellen. Uiteindelijk heeft ze, in het bijzonder via een representatieve enquête, de leraren het laatste woord over de uitvoerbaarheid van haar plannen laten spreken. Waar dit toe geleid heeft, vertel ik straks. Eerst maak ik duidelijk waarom de commissie reeds uit zichzelf besloot dat zuivere functionele toetsing onhaalbaar is, en waarom ook aan de toetsing van communicatieve vaardigheden een grens is.
Neem een zowel functionele als communicatieve taalgebruikssituatie als 'discussieren met een huiseigenaar die de door u gestorte borgsom niet wil terugbetalen'. Volgens het behoeftenonderzoek dat voor de CVEN is uitgevoerd, staat dit type gesprek op de derde plaats van de tekort-top-5 (4). Het verdient in principe volgens de CVEN ook alle aandacht in onderwijs en toetsing. Maar valt dit in de gegeven omstandigheden te realiseren?
Onder anderen Lammers (1989) heeft gewezen op de principiële onreproduceerbaarheid van levensechte situaties in de klas: leerlingen zijn en blijven nu eenmaal leerlingen en leraren zijn en blijven leraren met hun door de institutie 'school' onwrikbaar vastgelegde rollen. Weliswaar kan men leerlingen en leraren levensechte rollen laten spelen - in tegenstelling tot anderen (Godfried 1990) heeft de CVEN daar geen bezwaar tegen, maar dan wordt men wel met de volgende beperkingen geconfronteerd. Kan en wil een leerling zich verplaatsen in een huurder, een invuller van een belastingaangifte, een opbeller van een gemeentelijke instantie? Is hiervoor niet, meer nog dan taalvaardigheid, levenservaring en kennis van de werkelijkheid nodig plus de motivatie die voortvloeit uit authentieke belangen? En is het wel realistisch de oplossing deels te zoeken in de richting van de docent die in een Citospreekvaardigheidstoets de rol van opgebelde instantie speelt (hierover Van Gelderen 1991)?
Op ongeveer analoge wijze stuit men op grenzen bij het onderwijzen en toetsen van communicatieve vaardigheden, zeker als men dat in complete communicatieve situaties met een behoorlijk realiteitsgehalte wil doen (5) . Als we gemakshalve die vaardigheden even gelijkstellen aan het doel- en publiekgericht communiceren, dan schuilen de problemen vooral in de publiekgerichtheid. In de eerste plaats heeft empirisch onderzoek wel uitgewezen dat 'gerichtheid op een publiek' door niet-volwassenen moeilijk op te brengen is, vooral bij het schrijven (Andeweg en
51