aanvoeren van argumenten pro en contra" en "het passend geordend, geformuleerd en gepresenteerd naar voren kunnen brengen van de meningen en argumenten" (o.c., 11). Daarnaast is eveneens vereist dat deelnemers aan een groepsdiscussie de bijdragen van anderen adequaat kunnen beoordelen (o.c., 11).
Het examenonderdeel leesvaardigheid heeft betrekking op het kunnen interpreteren, analyseren, beoordelen en samenvatten van teksten. Voor het lezen van beschouwende c.q. betogende teksten. betekent dit, aldus de commissie, dat leerlingen in staat zijn om op grond van tekstgegevens "de functies (strekkingen) van tekstgedeelten -ook in hun onderlinge samenhang- te omschrijven, zoals poneren, (...) argumenteren" (o.c., 12). Bovendien moeten leerlingen inhoudelijke en functionele relaties, zoals relaties van de soort stelling-argument-subargument, kunnen benoemen die ex- of impliciet tussen tekstonderdelen aanwezig zijn (o.c., 12). En bij het beoordelen van een betogende tekst zijn examenkandidaten in staat de "aanvaardbaarheid van meningen en argumentaties te beoordelen aan de hand van criteria als benodigde ondersteuning, geldigheid van redeneringen en correct gebruik van argumentatiewijzen" (o.c. 12).
In haar opsomming van vereiste vaardigheden voor schrijfvaardigheid is de commissie wat summier. Bij het produceren van een beschouwende of betogende tekst moeten leerlingen in staat zijn "inhoudselementen (waaronder argumenten) te ontwikkelen, te kiezen en te verbinden" (o.c., 13). Daarnaast is het vereist dat de gegenereerde inhoud geordend wordt en verwoord in overeenstemming met de regels voor een correcte woordkeus en zinsbouw en de principes van een adequate stijl (o.c., 13).
Behalve deze specifieke omschrijvingen van vereiste vaardigheden per examenonderdeel, wordt ook een termenlijst taalvaardigheid gepresenteerd. Bij de afzonderlijke onderdelen vermeldt de commissie dat de leerlingen kennis moeten hebben van de in deze lijst opgesomde begrippen. Met betrekking tot het onderdeel argumenteren zijn de volgende begrippen in de lijst opgenomen: meningsverschil, standpunt (mening, opvatting, stelling/conclusie), hoofd- en subargumentatie, functionele relaties zoals stelling-argument, (inhoudelijke) aanvaardbaarheid (criteria: consistentie, volledigheid, controleerbaarheid, correcte weergave, broneigenschappen, ondersteuning, logische geldigheid, aanvaardbare argumentatiewijze).
Uit de bovenstaande omschrijving van kennis en vaardigheid kan afgeleid worden welke leerstof leerlingen zich eigen moeten maken. De aard van die leerstof zullen wij met behulp van begrippen uit de pragma-dialectische argumentatietheorie (Van Eemeren & Grootendorst 1982) nader karakteriseren. Daarbij geven wij aan welke leerstof argumentatie de commissie buiten beschouwing laat.
Voor de produktie van mondelinge of schriftelijke betogen moet leerstof worden aangeboden met betrekking tot het duidelijk innemen van een (hoofd)standpunt. Vervolgens zullen leerlingen getraind moeten worden in het genereren en selecteren van argumenten ter onderbouwing van het ingenomen standpunt. Bij het
71