taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

toneel, cabaret;

films;

t.v.-drama; strips;

hoorspelen; dagboeken.

Toelichting

Leerlingen moeten een verhalenbundel van een roman kunnen onderscheiden, leerlingen die al draaiend aan de knop van de radio in een hoorspel terecht komen, moeten weten wat dat is, leerlingen moeten verschillende soorten gedichten hebben gelezen, dichtbundels van één dichter of rond een thema in handen hebben gehad, enzovoort.

Ze moeten kortom weten wat er zoal bestaat aan fictie, als onderdeel van hun algemene ontwikkeling, als onderdeel van hun 'basisvorming'. In de lespraktijk betekent dit dat alle genoemde genres een paar keer aan bod dienen te komen.

3.4. Begrijpen

Fictie beter leren begrijpen betekent de volgende structuuraspecten leren (her)kennen en interpreteren:

perspectief (ik-vorm, hij/zij-vorm, verteller; directe rede, wat 'gedacht' en wat 'gezegd' wordt, maar ook het camera-standpunt: kikker-, vogelperspectief, overzicht of detail, enzovoort);

tijd (chronologisch, flashback, tijdverdichting (twee jaar in tien regels, tussenkop: 'tien jaar later'), verhaal begint middenin of aan het eind van de gebeurtenissen, raamvertelling, enzovoort);

ruimte, sfeer (het 'decor' waartegen het verhaal speelt, de context, ook de tijd waarin het speelt);

verhaalthema('s), hoofdlijnen en zijlijnen;

personen, hun karakter, denken en handelen;

stijl, taal- en beeldgebruik.

(Deze lijst valt wellicht nog aan te vullen.)

Toelichting

Let op, het gaat er absoluut niet om de leerlingen te leren hoe ze verhalen moeten analyseren. De leerstof moet erop gericht zijn om problemen die leerlingen tegenkomen in verhalen (teksten en beelden) of in gedichten op te lossen.

Leerlingen die afhaken bij een flash-back of een sprong in de tijd, hebben er baat bij om daar uitleg over te krijgen, met voorbeelden en oefeningen, zodat ze in het vervolg niet meer voor tijdsprongen hoeven terug te schrikken, omdat ze dan tenminste snappen wat er gebeurt en waarom de schrijver dat heeft gedaan.

Zoiets kan ook gelden voor de ruimte of tijd waarin een verhaal speelt, niet alle

18

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties