taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

W.I.M. van Calcar

NIET EEN AANGEPASTE, MAAR EEN TOEGEPASTE GRAMMATICA

Men kan een onderscheid maken tussen theoretische grammatica's zoals Paardekooper (1971), Dik (1978) of Bennis & Hoekstra (1989) en aangepaste theoretische grammatica's zoals Van den Toorn (1981). Een theoretische grammatica geeft een theorie van het menselijk taalvermogen. Zij biedt een verklaring voor het vermogen van mensen op basis van een beperkt corpus van uitingen een onbepaald aantal grammaticale zinnen voort te brengen (Bennis & Hoekstra 1984:1.1). Aangepaste grammatica's zijn afgeleid van theoretische. Zij bemiddelen tusen wetenschap en onderwijs. Als zodanig bevatten zij deelverklaringen uit de theoretische grammatica's: wat behoort tot een omvattende theorie is daaruit los gemaakt en wordt op zichzelf aangeboden. De relevantie van zo'n grammatica voor het onderwijs staat sinds Langeveld (1934) ter discussie. In dit artikel bepleit ik de invoering in het onderwijs van wat ik noem een toegepaste grammatica, waarvan Van Calcar (1992) een voorbeeld is. Met een toegepaste grammatica wil de taalkundige een verklaring geven van het verschijnsel taal aan de gebruiker en op grond van deze verklaring een methode ontwikkelen die zowel het begrip als de productie van taal verder brengt.

Een illustratief verschil tussen een aangepaste en een toegepaste grammatica biedt de theoretische grammatica van Bart & Sturm (1985:165), die ook aandacht heeft voor het onderwijs. De auteurs schrijven daar het volgende:

"In talen met zgn. naamvallen als het Latijn hebben NP's die fungeren als indirect object een klankvorm die hen meestal duidelijk onderscheidt van NP's met andere functies zoals subject en direct object. Daar hebben we voor een taal als het Nederlands natuurlijk weer weinig aan. ... Niettemin verkeert ook het Nederlands in de gelukkige omstandigheid dat sommige indirecte objecten zich klankvormelijk verraden of kunnen verraden. Niet door een naamval, maar door een voorzetsel."

Inderdaad, als het noodzakelijk is dat men de juiste, door taalkundigen vastgestelde functie in een zin kan geven, dan is het plezierig wanneer die functie aan het uiterlijk te zien valt. Maar voor een taalgebruiker die inzicht wil hebben in zijn taal, hetzij uit intellectuele nieuwsgierigheid hetzij met het oog op zijn tekstinzicht en tekstproductie, is die omstandigheid geheel irrelevant. Dan gaat het erom, of hij inziet dat een activiteit als geven om bepaalde betrokkenen vraagt, dus dat er sprake is van geven als iemand iemand iets geeft. Wanneer hem dat inzicht ontbeert, dan heeft hij als taalgebruiker niets gewonnen met de kennis dat iemand indirect object is

22

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties