taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

vanwege de mogelijkheid het voorzetsel aan mee te krijgen: iemand geeft iets aan iemand.

Onderstaand artikel werkt het verschil dat ik illustreerde, verder uit. Het omvat drie delen. Het eerste deel geeft een korte beschrijving van mijn grammatica en laat zien dat deze grammatica leerlingen en studenten biedt wat het onderwijs hun behoort te geven: inzicht in de werkelijkheid, kennis van de relatie taal en werkelijkheid, vaardigheid in taalbeschouwing, kennis van het ontleden en benoemen, ontwikkeling van hun taalvaardigheid zowel met betrekking tot begripsanalyse en woordenschatverwerving als schrijven en lezen. Het tweede deel is meer taalkundig van aard. Het toont aan, dat mijn grammatica meer verklarende kracht heeft dan een aangepaste grammatica en eenvoudige verklaringen biedt voor ingewikkelde taalkundige verschijnselen, zodanig dat deze ook voor leerlingen toegankelijk zijn. Het derde en kortste deel noemt enige problemen die de verwerving van mijn grammatica aan studenten biedt.

Het artikel is geschreven voor zowel de taalbeheersers onder de leraren als voor de taalkundigen onder hen. Het maakt duidelijk, dat een aantal onderdelen van het vak Nederlandse geïntegreerd aangeboden kunnen worden, zodat voor de leerlingen de samenhang duidelijk wordt.

1. Een toegepaste grammatica 1.1. Van werkelijkheid naar taal

Alle mij bekende grammatica's van het Nederlands beginnen de analyse van zinnen met behandeling van de persoonsvorm. De leerlingen leren, dat er een speciale vorm is van een speciaal soort woord: het werkwoord, die in persoon en getal overeenkomt met het zogenaamde onderwerp van de zin en bovendien de tijd aangeeft waarin de zin staat. Men brengt de leerling in kennis met de taal als systeem. De werkelijkheid blijft daarbuiten.

Mijn grammatica begint met de behandeling van de werkwoorden als woorden die een activiteit of toestand uitdrukken. Daarmee kies ik niet de taal, maar de werkelijkheid tot uitgangspunt. Ik vraag, wat mensen, dieren, planten of dingen doen of in welke toestand ze verkeren. Een antwoord kan zijn: zijn zus fietst, de hond loopt, de plant bloeit, de steen valt, mijn buurmeisje is vals. Leerlingen moeten dus nagaan wat ze van personen enz. weten, welke activiteiten of toestanden met hen verbonden kunnen zijn. De leerlingen leren niet wat werkwóórden zijn vanuit geschreven zinnen, maar ze leren bepaalde woorden die zij gebruiken in relatie tot iemand of iets, benoemen als werkwoorden.

23

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties