taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

Vanuit de werkelijkheid als invalshoek is het gemakkelijk de overstap naar de taal te maken. Wanneer men de werkwoorden kan aanwijzen, dan is de persoonsvorm het werkwoord dat verbonden wordt met iemand of iets en verandert naargelang de invulling van die iemand of iets:

iemand loopt

wie?

ik loop, maar jij loopt, en wij lopen

Met het gezegde als het geheel van werkwoorden in een zin wordt de leerling vertrouwd gemaakt vanuit het hoofdwerkwoord, waarmee hij van alles moet maken, meta vermelding van de betekenis: iemand loopt, kan lopen, heeft gelopen, zou hebben kunnen lopen. Uitgangspunt blijft steeds het hoofdwerkwoord, zodat ook duidelijk is, waarom binnen het gezegde één werkwoord bepalend is.

Natuurlijk is het vanuit een volledig ontwikkeld begrip van de werkelijkheid een simplificatie, enkel te spreken van activiteiten en toestanden, maar voor het aanvankelijke begrip dat een leerling heeft niet. Wanneer zijn begrip zich ontwikkelt, kan men de onderscheidingen verfijnen: er zijn handelingen zoals wandelen, menselijke en dierlijke activiteiten, zoals vallen, (natuurlijke) gebeurtenisen zoals groeien, actieve toestanden zoals vrolijk zijn (zodat je kunt zeggen: Wees eens wat vrolijker!), passieve toestanden zoals rijk zijn en resultatieve toestanden zoals kapot zijn. Zie Van Calcar (1974); De Schutter (1983). Deze onderscheidingen kunnen later aan de orde komen.

1.2. Begripsanalyse

Wanneer leerlingen werkwoorden kunnen benoemen, moeten zij zich afvragen, wat er voor een activiteit of een toestand nodig is, opdat er sprake van kan zijn. Het gaat hier om begripsanalyse, die een belangrijke rol moet spelen: wanneer spreek je van onderhandelen, van vechten, van regeren, van optellen, aftrekken, delen? Hoeveel 'spelers' of 'noodzakelijke aanvullingen' heb je nodig om die activiteiten te laten zien? Leerlingen leren beseffen dat lopen gelijkstaat met de benen voor en achterwaarts bewegen; zwemmen met handen en benen op een bepaalde manier (in het water) voortbewegen; kruipen met voortgaan op handen en voeten; liggen met horizontaal, staan met verticaal en zitten met horizontaal en tegelijk verticaal gestrekt zijn. Ze leren daarmee samenhangen zien tussen activiteiten of toestanden. Resultaat van zo'n begripsanalyse, toegepast op wat werkwoorden uitdrukken, is een systeem van drie groepen van werkwoorden: sommige werkwoorden eisen slechts één speler of noodzakelijke aanvulling, zoals lopen, zwemmen, kruipen, liggen, staan en zitten; andere vragen er twee zoals slaan: iemand slaat altijd iemand of iets; en weer andere drie: iemand geeft altijd iets aan een ander of zichzelf.

24

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties