taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

Bij deze begripsanalyse doen zich complicaties voor. Zo kan men zich afvragen, of iemand niet altijd ergens op ligt en op een of andere tijd vertrekt. Zo ja, dan zouden ook bij deze activiteiten tenminste twee aanvullingen nodig zijn om ze uit te voeren, namelijk een plaats of een tijdstip, zodat ze ten onrechte onder de eerste groep zijn opgenomen. Ook tegen het rangschikken van werkwoorden als zwemmen of fietsen en timmeren onder de eerste groep kunnen bezwaren ingebracht worden, namelijk dat er behalve een persoon ook handen en benen, een fiets, resp. een hamer nodig zijn. Om tot oplossing van deze problemen te komen moet opnieuw over de inrichting van onze werkelijkheid gepraat worden, b.v. als volgt.

Voor alles wat je doet of waarin je verkeert, is tenminste tijd en ruimte vereist. Als iemand staat, werkt of iemand met iets helpt, doet hij dat altijd op een bepaalde tijd en plaats.. Tijd en ruimte zijn universele categorieën, die altijd en overal aanwezig zijn.

Behalve plaats en tijd heeft men in geval van een activiteit die een (menselijke) handeling is, soms ook instrumenten nodig. We spreken dan van instrumentele handelingen. Kenmerkend voor een instrumentele handeling is, dat het instrument deel uitmaakt van de handeling zelf: zonder instrument ontstaat de handeling niet. Zo kan men niet lopen zonder benen of een prothese daarvoor; noch roeien zonder armen en een verlenging daarvan (roeispanen) noch timmeren zonder handen (en een verlenging daarvan: hamer) noch wassen zonder water (en een wasmiddel): ik was me met water (en zeep). De leerling moet dus ervaren wat het eigene van een handeling is, b.v. dat zwemmen = zich in het water bewegen met handen en voeten, zodat droogzwemmen = buiten het water bewegen met handen en voeten) en fietsen = op een fiets trapbewegingen maken; kanoën = in een kano zich voortbewegen door met zijn armen een peddel te bewegen. Om deze handelingen uit te voeren is buiten wat de betekenis van het werkwoord al inhoudt, slechts één speler noodzakelijk: de uitvoerder.

Om de tweede complicatie op te heffen moeten leerlingen dus inzicht hebben in het begrip handeling. Zolang dat begrip niet aanwezig is, kan men het instrument als speler toelaten. Dat betekent dat men geen bijzondere status toekent aan instrumentele handelingen, als handelingen die alle te maken hebben met handen en voeten als de werktuigen bij uitstek van de mens. Dit voorbeeld maakt nog eens duidelijk, dat het niet om grammatica alleen gaat, dus om kennis van de zinsdelen, maar om inzicht in de werkelijkheid.

1.3. Zinsopbouw

Zodra leerlingen weten wat werkwoorden zijn, kan het eigenlijke grammaticaonderwijs beginnen met hen te leren zinnen op te bouwen volgens een bepaalde methode. De leraar geeft een werkwoord als uitdrukking van een bepaalde activiteit of toestand (b.v. fietsen of vertellen). Hij vraagt de leerlingen op basis van een

25

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties