taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

van het model en de antwoorden op de vragen voor beide zinnen na te gaan en deze met elkaar te vergelijken. Als volgt.

vertellen   iemand vertelt   aan iemand   iets

wie?   wie?   wat?

wie?   de directeur van de faculteit

hij

aan wie?   de studenten

zijn ouders

wat?   dat de Vrije Studierichtingen opgeheven zouden worden dat hij niet geslaagd was

wanneer?   gisteren

Toen het al laat was

hoe?   onverwacht

9

met welk resultaat?   zodat die mogelijkheid voortaan voor hen was afgesloten tot hun verdriet

Men kan deze opdracht op de volgende manier uitbreiden. De leraar zegt dat hij een zin gaat dicteren die hij uit een krant heeft. Hij vermeldt het belangrijkste werkwoord, denken, en het thema: de angst voor een derde wereldoorlog en de de reactie op die angst. Hoe denken zij dat de zin er min of meer uitgezien heeft uitgaande van het model van denken en aanvullende vragen aan dat model? De zin luidt b.v. In 1948 dachten veel Nederlanders dat de Derde wereldoorlog aanstaande was; een derde deel van de bevolking speelde blijkens enquêtes met het plan te emigreren naar oorden die veiliger leken. (NRC Handelsblad 7.3.1992, p. 41). Behalve analyseren leren zij met deze oefeningen, dat het antwoord op een betekenisvraag op vele manieren vorm gegeven kan worden.

1.5. Ontleden en benoemen

Wanneer men eenmaal zo ver is als ik boven schetste, is het nog een kleine stap naar een traditionele zinsontleding en -benoeming. De volgende afspraken zijn voldoende:

  1.    Het werkwoord of bij uitbreiding het gezegde met zijn noodzakelijke aanvullingen heet het model waarnaar een zin gemaakt wordt door invulling van iets of iemand. Dit model maakt men zelf. Zo is het model van geven: iemand geeft iets aan iemand; en het model van hebben kunnen geven: iemand heeft iets aan iemand kunnen geven.

  2.    In het model staat links het onderwerp. Wanneer het model nog andere aanvullingen bevat, dan heten deze voorwerp. Deze staan rechts.

  3.    In de te ontleden zin zoekt men vervolgens naar de invulling van de iets of iemand: wie (onderwerp) heeft wat (voorwerp) aan wie (voorwerp) gegeven?

27

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties