taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

Zijn zus, haar fiets, aan mij.

  1.    Het is een kwestie van detail, of het voorwerp lijdend, voorzetsel of meewer-

kend voorwerp is, eveneens of sprake is van voorwerp dan wel van naam-

woordelijk deel. Ik heb dat uitvoerig behandeld in Van Calcar (1981),

(1984), (1992).

  1.    Antwoord op vragen aan het model, zoals waarom? en hoe? leveren de zelfstandige bepalingen op.

  2.    Antwoord op welke? wat voor een? leveren de bijvoeglijke bepalingen op. Voor een nadere verantwoording van deze punten verwijs ik naar het eerder genoemde werk.

1.6. Woordenschatverwerving

Behalve met begripsanalyse moet het taalonderwijs zich bezig houden met woorden-schatverwerving. De geschetste grammatica kan hier dienstig aan zijn. Voor dat doel kan men leerlingen werkwoorden voorleggen die ze in dit stadium van hun ontwikkeling moeten leren beheersen, b.v. bij de zaakvakken, en ze daarmee laten oefenen in het maken van zinnen. Daarnaast kan men ze geheel nieuwe woorden geven, b.v. canneleren: de beeldhouwer canneleert de pilaar. De groeven zijn heel ondiep. Annexeren: Servië annexeert grote delen land van Bosnië. Cadanceren (een lichte maat geven, ritmisch maken): zij cadanceert het liedje dat ik heb gemaakt. Calqueren (natrekken op doorschijnend papier): iemand calqueert het Paleis op de Dam. Cambieren (wisselhandel drijven): mijn vader cambieert met heel de wereld. Capoteren (op de neus neerkomen, gezegd van een vliegtuig): de Fokker Friendship capoteerde. Behalve een oefening in kennisverwerving krijgen de leerlingen met dit type woorden inzicht in wat de grammatica bedoelt met noodzakelijke aanvullingen. (Met dank aan mijn collega Clemens Oomes die zijn studenten deze voorbeelden voorlegt.)

Tot de woordenschatverwerving behoort ook het leren gebruiken van uitdrukkingen zoals de overhand krijgen, tenonder gaan, het onderspit delven, in vuur en vlam staan, onder de knie krijgen. De betekenis van deze gehelen is niet de som van de afzonderlijke delen. Het probleem dat deze uitdrukkingen leerlingen bieden, is dat niet op voorhand duidelijk is, of het werkwoord wel of niet op zichzelf staat. De vaststelling van een synoniem is het bewijs dat het werkwoord deel uitmaakt van een groter geheel. De leerling moet zich afvragen, of krijgen wel of niet het gezegde is in Hij kreeg langzaam de overhand in de klas. Met behulp van de gegeven grammatica kan hij onderzoeken, wat het geval is: (a) of (b)?

  1.    Iemand krijgt iets, namelijk de overhand? Nee, maar wel:

  2.    De overhand krijgen = winnen, zegevieren, de baas worden. Iemand krijgt de overhand op iets; iemand wint iets. Zo ook: iemand gaat, waar? Tenonder! Nee, maar wel: iemand gaat tenonder = iemand verdwijnt, verliest.

28

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties