taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

voorzetsel van, het onderwerp van of door: Jan beledigt zijn leraar: het beledigen van Jan van zijn leraar = het beledigen door Jan van zijn leraar = de belediging van Jan van zijn leraar = Jans belediging van diens leraar. De verschijning van het voorzetsel van wijst op de nauwe verbondenheid van het gezegde met onderwerp of voorwerp in onderscheid met de zelfstandige bepalingen: van betekent deel van.

Deze twee verschijnselen vloeien in mijn grammatica voort uit een meer fundamenteel verschijnsel, namelijk dat onderwerp en voorwerp noodzakelijke aanvullingen zijn. De aangepaste grammatica mist deze generalisatie, doordat ze niet van noodzakelijke aanvullingen spreekt en de afgeleide verschijnselen centraal stelt. Voor haar is namelijk sprake van een lijdend voorwerp, zodra een zinsdeel omgezet kan worden tot onderwerp in een lijdende zin dan wel tot een van-constructie (Van den Toorn 1981:27 e.v.). Mijn grammatica verklaart bovendien de zogenoemde bijzonderheid/uitzondering, dat een meewerkend voorwerp tot onderwerp van een lijdende zin kan worden omgevormd. Zie de voorbeelden. lk verzoek u (mv) niet te roken. U (ond) wordt verzocht niet te roken. lk vroeg hem (mv) te komen. Hij (ond) werd gevraagd te komen. Het feit dat het meewerkend voorwerp geen voorzetsel bij zich hoeft te hebben, maakt het naar de vorm gelijk aan het onderwerp en lijdend voorwerp: noodzakelijke aanvullingen zonder voorzetsel. De aangepaste grammatica volstaat met een constatering van deze bijzonderheid (cf. Rijpma-Schuringa 1978:252).

2.2. Afdoendheid en elegantie

Door van noodzakelijke aanvulling te spreken biedt de gegeven toegepaste grammatica een eenvoudige verklaring voor een aantal benoemingen, zoals we eerder zagen. Ze vermijdt bovendien een aantal problemen waarmee de aangepaste theoretische grammatica's de leerling confronteren zonder daarvoor een bevredigende oplossing te (kunnen) bieden.

a. Voor vaststelling van het onderwerp bestaat de plaatsproef: in de hoofdzin staan onderwerp en pv naast elkaar. Deze proef gaat niet altijd op, blijkens gevallen als de volgende:

Op de bank lag in een hoekje opengeslagen half onder een krant een vergeeld spoorboekje. (Bart & Sturm 1985:140)

Omdat mijn grammatica uitgaat van de ideale situatie (het model dat men zelf maakt) en deze vergelijkt met de feitelijke (de zin die men moet ontleden) biedt dit taalgebruik geen problemen. Uitgaande van het model iets lag, verschijnt een vergeeld spoorboekje als invulling van iets, dus als onderwerp.

32

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties