taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 6 | Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1993)


Bijdrage: Niet een aangepaste, maar een toegepaste grammatica (W.I.M. van Calcar)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

(1)   zij ontroofde hem zijn bagage   (2)   zij ontroofde de bagage aan hem

zij nam hem het tasje af   zij nam het tasje van hem af

e. Een ander probleem doet zich voor bij het lijdend voorwerp. De aangepaste grammatica's vertellen dat een lijdend voorwerp onderwerp kan zijn in een lijdende zin. Dat is zijn kenmerk, dat echter niet geldt voor werkwoorden als hebben, bezitten, behelzen, houden. Maar merkt Van den Toom (1981:28) op: bij nominalisering van deze werkwoorden verschijnt het voorwerp met van: het hebben van een boot. Hij noemt dan nominalisering een universelere proef voor het lijdend voorwerp. Maar oorzakelijke voorwerpen gaan bij nominalisering ook vergezeld van van: de vijand was de stad meester; het meester zijn van de vijand van de stad. Ook hier is mijn oplossing eleganter. Ik noem de tweede noodzakelijke aanvulling een voorwerp, dat lijdend voorwerp heet wanneer de omzetting in de lijdende vorm mogelijk is, en gewoon voorwerp blijft heten als dat niet zo is. Dat voorwerp heet oorzakelijk wanneer het optreedt bij een naamwoordelijk gezegde: hij is dat van plan.

2.3. Geldigheid

De theoretische grammatica heeft zoveel gezag, dat het onderwijs haar bevindingen als zekerheden overneemt en doorgeeft. Dit is niet terecht. In geen enkele wetenschap bestaan definitieve waarheden. Het is ook gevaarlijk. Iets kan namelijk als wetenschap worden aangeboden, ook als er niet zo veel over geweten wordt. Dat geldt b.v. in het geval van het voorwerp. Zo onderscheidt Van den Toom (1981:25) het voorwerp van de bijwoordelijke bepaling met behulp van het volgende criterium. Wanneer een zinsdeel als laatste in een gekloofde zin kan optreden, dan is dat zinsdeel een voorwerp en geen bepaling. (Kloving wil zeggen, dat de zin in twee stukken gedeeld wordt.)

WEL ik heb de avond bedorven - wat ik heb bedorven is de avond

NIET ik heb deze avond gelopen - wat ik gelopen heb, is deze avond

WEL ik sta op een fatsoenlijk antwoord - waarop ik sta, is een fatsoenlijk antwoord NIET ik sta op de stoep - waarop ik sta, is de stoep

Tegen dit criterium zijn bezwaren in te brengen, van pedagogische en van wetenschappelijke aard.

De kloofproef is een truc, een ezelsbrug: pas de formule toe en je antwoord is goed. De ezelsbrug is in dit geval bovendien wetenschappelijk een wankele constructie. Dat komt aan het licht wanneer ik het verschijnsel van de kloving vanuit mijn grammatica aan een onderzoek onderwerp.

Er zijn uitzonderingen op de kloofproef. Van den Toom (1981:36) merkt op, dat in geval van de voorzetsels om en met een bijwoordelijke bepaling wel een gekloofde

35

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties