taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

Wie zegt iets?

In dit geval kennen we de naam niet, maar uit de situatie kunnen we afleiden dat het waarschijnlijk de baas is van de heer de Vries. Uit zijn taalgebruik en uit het feit dat ik weet dat het een strip is van Peter van Straaten leid ik af dat hij een Nederlander is. Hij is niet zo jong meer, ziet er nogal deftig-conservatief uit. Naar de rest heb ik het raden. Maar misschien vind ik dat ik al genoeg weet om deze situatie te snappen. Het ultieme antwoord op deze vraag zal ik echter nooit kunnen geven, zelfs al zou ik de naam van die man kennen en al zou ik een intieme vriend van hem zijn, al zou ik mijn uiterste best doen, toch zou ik nooit helemaal precies kunnen zeggen wie hij eigenlijk is. Deze eerste vraag is dus niet zo simpel als hij misschien leek.

Wat zegt hij?

Kort samengevat zou je kunnen stellen dat hij zegt dat de Vries begrip moet hebben voor zijn situatie. In dit geval was het niet moeilijk de tekst samen te vatten, maar uit ervaring kan iedereen wel weten dat een tekst samenvatten niet altijd zo eenvoudig is en dat niet iedereen het altijd eens is over de vraag wat precies als kern van de tekst behouden moet blijven.

Waarover heeft hij het? M.a.w. is wat hij   betrouwbaar?

We kennen niet de hele redenering die achter dit zinnetje steekt. Daardoor al kunnen we niet uitmaken of dit zinnetje een logisch besluit van die redenering is. Wat de Vries gezegd heeft, zal waarschijnlijk niet leuk en aardig bedoeld zijn. In dat geval is die eerste zin niet erg betrouwbaar. Misschien is het heel onredelijk van die man dat hij in die omstandigheden begrip vraagt van de Vries. Het lijkt mij dat de Vries meer recht heeft op begrip dan hij. Maar ook dat is niet zeker. Het antwoord op deze vraag zal altijd een appreciatie zijn,, nooit een objectieve conclusie.

Dat geldt ook voor een gewone mededeling zoals 'Dit is een stoel'. Wat hier bij mij staat is geen stoel, o.a. omdat stoel een woord is en dit ding hier alles is behalve een woord. Daarenboven kan ik de uniciteit van dit ding niet uitdrukken door een soortnaam (woord) te gebruiken. Kortom, het is misschien weer tragisch, maar hoe we ook ons best doen: deze vraag is weer onmogelijk helemaal te beantwoorden. Zo eenvoudig is hij dus ook weer niet.

Aan wie zegt hij het? M.a.w. Waarvoor ziet hij de luisteraar aan?

Zijn houding en zijn blik lijken me alleszins erg neerbuigend. Ook zijn taal: hij spreekt de Vries aan met je en met de Vries i.p.v. met u en met mijnheer de Vries en hij 'verlaagt' zijn taalgebruik speciaal voor zijn werknemer (motten). Hij lijkt ervan uit te gaan dat de Vries hem wel letterlijk zal begrijpen, maar zijn uiteindelijke bedoeling niet door zal hebben. Hij lijkt de Vries dan ook voor behoorlijk wat dommer aan te zien dan hij zelf is en ook makkelijker te maneuvreren. Enfin, zo lijkt het me toch, maar misschien vergis ik me en is hij onhandig, of doet hij zo omdat hij zich daartoe gedwongen voelt. Weer kunnen we geen absoluut zeker antwoord geven, ook al doen we nog zo ons best.

46

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties