taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

zijn of haar reacties, in schriftelijke communicatie zal de zender hierop moeten anticiperen. In beide modi moeten zender en ontvanger vragen formuleren en proberen te beantwoorden. Dit zijn ook de belangrijkste 'habitudes' die ik leerlingen graag bij zou willen brengen.

De vaardigheden die men leerlingen volgens mij zou moeten aanleren zijn als volgt vastgesteld. Eerst zijn er vier componenten van begrip en acceptatie van ideeën onderscheiden: begrip van woorden en zinnen, het verbinden van concepten, acceptatie ('begrip') van deze relaties en acceptatie van de retorische of pragmatische relaties.2 Vervolgens is bekeken hoe deze zaken door de zender en/of de ontvanger tot stand gebracht kunnen worden. Eerst is de vraag beantwoord welke talige handelingen kunnen leiden tot begrip of acceptatie. Hiervoor heb ik aan Pander Maat (1992) drie handelingen ontleend: verduidelijken, informatie geven/zoeken, en argumenteren/beoordelen. Daarna zijn er nog drie talige handelingen onderscheiden die waarschijnlijk nodig zijn om het taalgebruiksproces goed te laten verlopen: zich oriënteren, overzicht houden en activiteiten selecteren. Deze zes handelingen vormen samen de strategieën die ik leerlingen zou willen aanleren.3

Om leerlingen deze strategieën aan te leren zal men hen de volgende concepten moeten onderwijzen: thema, boodschap (hoofdgedachte) en inhoudelijke verbanden. Inhoudelijke verbanden zijn vooral van belang voor teksten waarin met betrekking tot het thema verschillende, vaak elk even belangrijke, dingen gezegd worden.3 Voorbeelden van dergelijke teksten zijn handleidingen en leerteksten. De leerlingen zullen een aantal manieren moeten leren om de verschillende boodschappen in een dergelijke tekst met elkaar te verbinden. Met het oog daarop zou men hen de volgende inhoudelijke verbanden kunnen onderwijzen: kenmerkrelaties, temporele relaties, causale relaties en contrastrelaties.

De overige concepten die bij deze visie op communicatie onderwezen zouden moeten worden, hebben betrekking op de context van teksten. Teksten worden immers in verband gebracht met doelen, zenders en ontvangers. Ook deze concepten zou men dus moeten onderwijzen. Verder zou men er regelmatig naar moeten verwijzen wanneer men leerlingen teksten laat produceren of verwerken. Alleen zo kan men bereiken dat het rekening houden met contextuele factoren een gewoonte wordt. Ook bij het onderwijzen van vormaspecten kan men verwijzen naar de context. Dingen als passendheid en aantrekkelijkheid zijn immers functies van de context. Ik zou deze en andere vormaspecten (bijvoorbeeld genreconventies) echter niet meteen willen introduceren. Dit zou namelijk de aandacht af kunnen leiden van de inhoud.

De vraag die nu nog overblijft, is hoe al deze ideeën geconcretiseerd kunnen worden. In box 3 geef ik als voorbeeld hiervan een aantal mogelijkheden om de strategie 'verduidelijken' te onderwijzen.

67

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties