taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Conferentiebundels

Bundel 6

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands
Veerle Geudens & Rita Rymenans
1993
304 pagina's

Soetaert al opmerkte, in een dubbelrol. Enerzijds vertegenwoordigt hij het literaire systeem en presenteert de meningen die in het literaire circuit opgang doen. Aan de andere kant moet hij met veel respect met de respons van zijn leerlingen omgaan, opdat de confrontatie van onbewuste kennis met nieuwe kennis een eerlijke kans krijgt. Het gaat daarbij niet om het afdwingen van een consensus, maar wel om de leerlingen uit te nodigen mee te discussiëren over een mogelijke consensus. (Soetaert 1990)

Samengevat:

  1.    Leerlingen moeten vertrouwen krijgen in hun eigen respons.

  2.    Ze moeten hun respons kunnen meedelen aan / delen met klasgenoten.

  3.    Ze moeten hun mening toetsen aan die van klasgenoten en andere professionele lezers.

  4.    Ze moeten groeien van participant naar spectator.2

2.2. Van participant naar spectator

De begeleiding van de groei van participant naar spectator is een opdracht voor de docent. Onderzoek heeft uitgewezen dat leerlingen simultaan beide functies kunnen uitoefenen in een combinatie van afstandelijkheid en engagement. De contekst en het leesdoel bepalen welk aspect overheerst en een gedwongen tweede lezing is vanzelf altijd al meer spectatorachtig.

Maar de eerste stap blijft de persoonlijke respons: niet een samenvatting van de inhoud, een karakterbeschrijving of de vraag naar de diepere betekenis, maar stoom afblazen zowel positief als negatief. Daarna moeten ze hun respons kritisch beschouwen om te komen tot een weloverwogen waardeoordeel.

In de bovenbouw zullen we de leerlingen steeds meer moeten aanmoedigen om die waardeoordelen in adequate bewoordingen te formuleren, omdat ze daar uiteindelijk op beoordeeld zullen worden.

Bij het tentamineren van gelezen boeken beoordelen we immers minder de leeservaring van de leerlingen, dan wel de manier waarop ze die in taal omzetten, afhankelijk van hun wil om er iets over te zeggen en hun vaardigheid.

Schrijven en spreken over literatuur vergt een heel speciale taalbeheersing. Aan de ene kant moet je je spontane respons uiten, aan de andere kant ben je de criticus die beweringen moet doen. Je bent als lezer deelgenoot van het verhaal, maar wordt tegelijkertijd gedwongen afstand te nemen. Je maakt gebruik van een verhalende tekst en er wordt van je verwacht dat je nu zakelijke taal gebruikt. Je zit als leerling met gevoelens, vage meningen zowel ten opzichte van de inhoud en impact van het verhaal als van het leesproces (aangrijpend onderwerp, slecht geschreven, jammer van die onsympathieke hoofdpersoon, het was te lang, maar hier en daar toch wel spannend omdat je toch wil weten hoe het afloopt).

76

© Nederlandse Taalunie, 2000-2009 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties