taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 6 | Zesde conferentie Het Schoolvak Nederlands (1993)


Bijdrage: Woordenschatverwerving in moedertaal en vreemde talen: een kwestie van transfer? (Kees de Glopper, Maartje van Daalen-Kapteijns & Carolien Schouten-van Parreren)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Where is the mirror?   1   2   3

Van de leerling wordt gevraagd een rondje te zetten om één van de cijfers. Een rondje om de 1 respectievelijk 2, 3 of 4 betekent: ik kan de betekenis van het onderstreepte woord absoluut niet respectievelijk waarschijnlijk niet, waarschijnlijk wel of zeker wel noemen.

De bedoeling van deze voortoets is na te gaan of er verschillen bestaan tussen leerlingen in de mate waarin ze hun eigen woordkennis over- dan wel onderschatten, en of dergelijke verschillen misschien samenhangen met hun woordenschat of vaardigheden. De analyse van enige hardopdenk-protocollen van sterke en zwakke leerlingen voor het Nederlands lijkt erop te wijzen dat zwakke leerlingen geneigd zijn hun woordkennis te overschatten. Zo denken sommige leerlingen dat ze een woord als 'economisch' wel kennen (waarschijnlijk omdat het veel gebruikt wordt in de media), terwijl ze, als aan hen gevraagd wordt om de betekenis te geven, die eigenlijk helemaal niet blijken te weten. Het is van belang om hierover meer gefundeerde informatie te verkrijgen, omdat het een randvoorwaarde is voor het leren van een onbekend woord dat de leerling zelf signaleert, dát er sprake is van een voor hem of haar onbekend woord. We komen hierop straks terug in de paragraaf over transfer.

7. Afleiden uit de context

Elk item van de afleidtoetsen bestaat uit een fragment tekst dat zo gemaakt is dat het veel informatie biedt over een onbekend (in het fragment onderstreept) woord. Van de leerlingen wordt gevraagd de betekenis van dat onbekende woord zo goed mogelijk af te leiden uit de context en op te schrijven in een apart aangeboden invulzinnetje. Een voorbeelditem voor het Nederlands ziet er zo uit:

Het schip moest twee dagen in de haven blijven voor het verder mocht gaan. Bijna alle passagiers maakten van de gelegenheid gebruik om te debarkeren en de stad te gaan bekijken.

Het invulzinnetje luidt:

Bijna alle passagiers maakten van de gelegenheid gebruik om     en de stad te gaan bekijken.

De leerlingen moeten op de stippeltjes invullen wat zij denken dat debarkeren betekent.

89

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties