Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Drie voor de prijs van één: Project Algemene Vakken (Erik Herbosch & Guy Staepels)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

te laten communiceren via kleine papiertjes omdat het mondeling niet kan:

-twee astronauten die op de maan tot beslissingen moeten komen maar niet met elkaar kunnen praten omdat hun radio het niet meer doet;

-het melden van een dringend feit aan een collega die je komt aflossen maar die je niet meer te zien krijgt omdat je iets vroeger vertrekt;

-het schrijven van gelukwensen aan je lief via de fax (je bent haar verjaardag vergeten en je durft niet te bellen want je baas kan je horen);

-een briefje dat je fotocopieert om je buren ervan te verwittigen dat er een barbecue met fuif zal doorgaan in je tuin, wat wel wat geluidsoverlast kan veroorzaken.

Beeldcultuur

Steeds vaker worden woorden en zinnen vervangen door beelden. Denken we maar aan pictogrammen in gebouwen en op de openbare weg, aan het steeds groter wordend aantal computerprogramma's die muisgestuurd worden en intensief van pictogrammen gebruik maken om programma-onderdelen te benoemen. Als leraar Nederlands hebben we de neiging om ons daartegen af te zetten, maar natuurlijk heeft dat geen zin. Daarom denk ik dat we onze leerlingen vertrouwd moeten maken met die beelden die vaker voorkomen en dat we dat beeldmateriaal ook kunnen gebruiken om leerlingen aan het schrijven te krijgen. Een paar voorbeelden: het 'vertalen' van pictogrammen, cartoons omzetten in tekst, stripverhalen uitschrijven.

Een goede inspiratiebron voor nieuwe methodes is dan ook de televisie, de mandataris bij uitstek van die beeldcultuur. Beroepsleerlingen, zeker in de lagere jaren, besteden nogal wat tijd voor het scherm. Wanneer we dus gaan werken zoals op televisie, moeten we hen toch kunnen aanspreken, dunkt me. Een eerste belangrijk punt dat ik leerde van de televisie, is om zo flitsend mogelijk te werken. Ik probeer de verschillende items steeds zo kort mogelijk te maken. Ik probeer er voor te zorgen dat de leerlingen regelmatig een andere werkvorm voorgeschoteld krijgen. Voorbeeld: een eerste oefening wordt individueel gemaakt, die wordt dan klassikaal verbeterd. Een tweede wordt in groep gemaakt. We verbeteren die niet onmiddellijk maar gaan over naar een derde oefening die we dan klassikaal maken. De verbetering van de tweede oefening houden we bijvoorbeeld voor de volgende les. Optimaal zou zijn wanneer wij in onze lokalen ook over voldoende didactische hulpmiddelen zouden kunnen beschikken omdat we dan nog meer afwisseling kunnen inbouwen. We hebben een video en een televisietoestel. Werken daarmee slaat nog altijd in. Het zou echter pas leuk worden wanneer we die video een vijftal minuten gebruikten, om dan over te gaan naar bespreking of naar een andere oefening die daarop aansluit. In het zevende jaar heb ik een lessenreeks over bouwen, kopen, huren. Daarvoor gebruik ik de video 'Bouwwijzer' van onder meer de BAC en DVV. Die laat ik eerst in zijn totaliteit zien, maar nadien gaan we die stukje bij beetje ontleden door er steeds even terug naar te kijken en dan op een of andere manier te verwerken.

Wat ik ook wel probeer over te nemen van de tv, is het spelelement. Ik haat spelletjes op de tv, maar ze zijn populair bij de mensen. Daarom moeten we ook regelmatig leerspelletjes gebruiken. Een voorbeeldje hiervan -ik leerde het van een VON-collegais een woordenschatinoefening onder de vorm van een bingospel. Het vraagt ook weer wat voorbereiding, maar er moet door de leerlingen heel wat worden gelezen en dat is toch onze bedoeling? We maken een aantal grotere kaarten waarop we de verklaring van verschillende woorden afdrukken. Alle leerlingen krijgen verschillende

119