Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Moedertaalonderwijs als middel tot relationele vorming (Johan Van Iseghem)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Drie. Het is niet omdat we een verhaal bespreken over een verliefde jongeman, dat we aan relationele vorming doen. De inhoud van het materiaal als dusdanig garandeert niets. Wanneer we het erover eens zijn dat het bij seksuele en relationele vorming ook (en vooral) om affectieve, emotionele en ethische waarden gaat, dan moet dat bestendig blijken uit onze aanpak en onze vraagstelling. Die moeten aanzetten om oordelen uit te spreken, moeten jonge mensen voldoende uitnodigen om opiniërende uitspraken te doen (...), om antwoorden zoveel mogelijk te laten motiveren.' Het vergt oog voor een heel specifieke interactie (ibidem:59) Wellicht zal een belangrijk probleem daarbij zijn of het strikt noodzakelijk is dat de doelstellingen -veelal te situeren op het vlak van affect en attitude- altijd in operationaliseerbare termen geformuleerd worden.12

Bovendien -mijn vierde bedenking- moet het relationele aspect stevig verankerd zitten in de 'hoofdmoot' van de moedertaalles. Vanuit bevindingen met intercultureel onderwijs werd op deze conferentie al aangetoond dat een leraar, ondanks de vormingskansen die in het materiaal schuilen, zijn optreden kan reduceren tot bijvoorbeeld louter tekstverklaring, waarbij zijn eigen waardenbeleving en die van de klas buiten schot blijft.13

4 Knelpunten, kwelpunten

Studenten die ervoor kozen om dergelijke lessen te ontwikkelen, probeerden er enkele uit in de stageperiode, bij leraren die aan ons rapporteerden. Bij schoolbezoeken had ik met nogal wat leraren een gesprek over deze aanpak, terwijl ik ook reacties opving na de bijscholingsmiddag waarin zulke lesmodellen werden voorgesteld. Op enkele vaker gehoorde bezwaren ga ik bondig in.

Een eerste ben ik het 'telraambezwaar' gaan noemen: 'We moeten al zoveel doen. Als dat er óók bijkomt, weet ik het niet meer'. Dit is het argument van mensen die suggesties kwantitatief benaderen. Ze tellen ze op, delen door het aantal lessen dat ze kunnen geven en komen tot de conclusie dat het 'dus' onmogelijk is. Het woordje 'dus' verleent aan hun protest het aureool van een logisch besluit, maar hier is dat een taalfout. De raakpunten tussen taalles en vorming gebieden me dit protest te relativeren. Voor deze mensen zal materiaalontwikkeling ongetwijfeld inspirerend zijn -en ik pleit daar dus voor- maar ik koester niet de illusie dat dit voor allen dé oplossing wordt: noot 11. Ik lees er voor de toekomst de noodzaak in om in opleidingen meer werk te maken van technieken om educatief te ontwerpen. We beperken ons teveel tot 'package design'. Lesopgaven onder een thematische noemer bijvoorbeeld dwingen aspirant-leraren om materiaal en methode selectiever te benaderen.

Van een collega die met de lesmodellen aan de slag ging, hoorde ik dat zijn enthousiasme werd gefnuikt door klassen die van hun apathische rol niet afstapten. Hij liep tegen een muur aan. Ik stel de vraag: gaan we bij ons denkwerk over klasinteractie niet wat gemakkelijk uit van de veronderstelling dat de leraar altijd medewerking krijgt? Het kan er op wijzen dat we moeten uitkijken wanneer we als basis voor de methodiek integratie van doelstellingen en leerstofonderdelen in leerplannen suggereren: ik deel het principe volkomen, maar stel vast dat een aantal leraren de creativiteit mist dat waar te maken. Voortdurend minder uren toedelen aan moedertaal, intussen

132