Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Moedertaalonderwijs als middel tot relationele vorming (Johan Van Iseghem)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

de eisen opvoeren en alleen maar integratie suggereren als oplossing voor het dilemma, creëert in de praktijk van het veld voor velen een uitzichtloze toestand.

Een derde bezwaar noem ik maar het 'leerjongensargument': 'Wij kunnen dat niet; daar zijn we niet voor opgeleid'. Als lesgeven een hefboom is in een proces van opvoeding en als taalontwikkeling sleutelt aan de uitbouw van de persoonlijkheid, behoort vormingswerk intrinsiek tot de kern van het leraarschap. Studie en/of navorming zijn daarom een zinvol antwoord op dat bezwaar.

Een vierde soort weerstand wordt geuit in een soort 'monoseksueel' syndroom." Daarbij zegt de leraar dat iets niet haalbaar is in een klas met alleen maar jongens of meisjes. Ik volg hier niet, maar geef toe dat een gemengde klassituatie wellicht meer kansen biedt om aan relationele vorming te doen. Leest u in een gemengde klas uit Karel ende Elegast de passage voor waarbij Eggeric 's nachts zijn vrouw slaat, dan wordt uw expressieve lectuur gegarandeerd onthaald op verontwaardigde geluiden vanwege de meisjes. Een gesprek over vrouwenmishandeling hangt hier vanzelf in de lucht. Als een school ervoor kiest om het publiek tot alleen maar jongens of meisjes te beperken, zullen er op relationeel vlak inderdaad extra inspanningen nodig zijn. Die keuze ontslaat lesgevers niet van verantwoordelijkheid ter zake; integendeel.

Er is een vijfde bezwaar dat ik 'trapladderprotest' ben gaan noemen. Dat wordt niet uitgesproken, maar het is soms de inspirator van wat wèl wordt verwoord. Het is de onwil bij een (gelukkig beperkte) groep leraren om een echte dialoog met de klas aan te gaan, de keuze om liever in de vorm van eenrichtingsverkeer te blijven onderwijzen. Opteren voor andere werkvormen, die bij relationele vorming bijvoorbeeld noodzakelijk zijn, veronderstelt een meer begeleidende rol vanwege de lesgever. Een minderheid blijkt bang te zijn zich te zullen 'verlagen', en is daar niet toe bereid.

5 Besluit

Ik besluit met een pleidooi om relationele vorming binnen onze lessen kansen te bieden. De didactiek van de moedertaal staat die aanpak geenszins in de weg: de vakdidactiek nodigt uit om dat op een geïntegreerde manier te doen, terwijl de thematiek aansluit op de leefwereld van jongeren en stof biedt voor hedendaagse taalbeschouwing, voor spreek-, luister-, schrijf-, lees- en literatuuronderwijs. Onze opzet mogen we daar alleen niet toe beperken. Het relationele kunnen we wellicht best in het normale lessenverloop inbouwen, waarbij we het telkens binnen de hoofdmoot van de taalles houden. Aanpak en vraagstelling bij tekstonderwijs, de positieve sfeer in het vaardigheidsonderwijs en voldoende aandacht voor affectieve aspecten en attitudes bij het formuleren van doelstellingen zijn een conditio sine qua non. Op bezwaren wil ik ingaan in de mate van het mogelijke. Wellicht moeten we in onze opleidingen meer werk maken van strategieën voor educatief ontwerpen, wat de noodzaak van degelijke materiaalontwikkeling door verantwoordelijke diensten niet wegneemt. Modellen kunnen inspireren.

Voor mezelf formuleer ik de wens bij HSN 1994 te overwegen een 'stroom' op te zetten over verbanden tussen moedertaalonderwijs en waardenbeleving bij jongeren; Landeskunde, het element Europa en het multiculturele kunnen daar hun plaats bij

133