Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Gediversifieerd en toch gemeenschappelijk (Hugo de Jonghe)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Gediversifieerd en toch gemeenschappelijk

Hugo de Jonghe

Hoe zou het literatuuronderwijs er in de nabije toekomst uit moeten zien als onze oude landsgrenzen economisch, monetair, cultureel, laten we hopen weldra ook sociaal, en stilaan toch ook wel politiek en zelfs militair aan het vervagen zijn? Moet alles bij het oude blijven? Moeten we er vrede mee nemen dat leraren in alle landen van de Europese Unie blijven doen wat ze tot dusver altijd gedaan hebben? Of moeten we het hele literatuuronderwijs een nieuwe kant op sturen?

Welke kant dan wel? Ik neem mij voor om met u na te denken over een aantal fenomenen, kwalen en wenselijkheden in verband daarmee, niet vanuit enig empirisch onderzoek maar vanuit eigen ervaringen als leraar, lerarenopleider en -begeleider, en vanuit een groot aantal binnen- en buitenlandse contacten.

1 Literatuur op school: een vreemde en bevreemdende staats-nationale beperking

In veel -zo niet de meeste- Europese landen maakt zich voor de leerlingen op een bepaald ogenblik het literatuuronderwijs los uit het leesonderwijs. In Vlaanderen was dat tot niet zo lang na 1940-1945 op het moment dat de leerlingen van de basisschool naar het secundair (voortgezet) onderwijs overgaan. Na de basisschool kregen de leerlingen geen moedertaal meer (met daarin veel aandacht voor lezen, schrijven en spraakkunst), maar ineens Nederlandse taalleer en schrijvers. Anders gezegd: Nederlandse taal en literatuur.

In andere landen ging en gaat het net zo: Langue et littérature française, English Language and Literature, Deutsche Sprache und Literatur, Lingua e literatura Italiana enzovoort. Het literatuuronderwijs doet (meestal) op de overgang van basis-naar voortgezet onderwijs zijn intrede, eertijds als een bekroning en verdere uitbouw van het leesonderwijs, in de zestiger en zeventiger jaren in competitie met een meer communicatief begrepen leesonderwijs.

Op de relatie tussen lees- en literatuuronderwijs ga ik hier niet in, hoe boeiend die ook is, ik beperk me tot de vaststelling dat het literatuuronderwijs in onze secundaire/middelbare scholen een taalculturele of, zo u dat wil, een staats-nationale beperking vertoont. Het leesonderwijs van de basisschool kan de facto een dergelijke beperking vertonen, maar die lijkt dan wel eerder toevallig en niet gewild te zijn: het lectuuraanbod in de basisscholen en,, ruimer, dat van de gehele kinder- en nu ook jeugdliteratuur, is niet beperkt tot schrijvers van eigen boden.

Hoe die beperking tot de landelijke, eigen literatuur er is gekomen, is -dacht ik-gemakkelijk genoeg te verklaren: het onderwijs heeft sedert het ontstaan van de moderne staten steeds meer een rol moeten spelen in het tot stand brengen c.q. in stand houden van het natiebesef bij de opgroeiende, toekomstige burgers. De nationale staten, volgens het idee dat in Europa tot stand is gekomen en dat tijdens

139