Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Gediversifieerd en toch gemeenschappelijk (Hugo de Jonghe)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

We kunnen ook enigszins andersom redeneren. Betekent europeanisering van het literatuuronderwijs niet dat we van een enge staats-nationalistische literatuuropvatting overgaan naar een Europees super-nationalisme? Van een nationale canon naar een Europese supercanon? Ook daarvoor is de laatste jaren op verscheidene plaatsen de stem verheven. Wie die kant op wil, moet er dan wel ernstig rekening mee houden dat er voor de zogenaamde kleinere literaturen in Europa nauwelijks enige belangstelling te wekken zal zijn in de landen met de dominerende Europese talen. Het zal er wel op neerkomen dat de landen Frankrijk en Engeland het laken naar zich toe zullen halen, met verontwaardigde schroom gevolgd door Duitsland (nog altijd de laagste in de pikorde der grootsten); dat daarbij noodgedwongen enige plaats zal worden ingeruimd voor enkele auteurs uit de klassieke oudheid en dat verder wellicht Italië wegens zijn onvergetelijke late middeleeuwen en zijn renaissance nog een kans zal maken. De rest zal wel naar de voet- of de eindnoten verhuizen, enkele eervolle vermeldingen in de rand van toelichtingen bij het chanson de geste, de Minnesänger, het Shakespeareaanse toneel, de Franse klassieke auteurs, de Engelse, Duitse, Franse romantiek en daarop volgende scholen tot en met het postmodernisme niet te na gesproken. Ons zal gevraagd worden niet kleinzerig te zijn, onszelf niet op te willen blazen, geen chauvinisme aan de dag te willen leggen, elke mogelijke neiging tot dominantie in de kiem te willen smoren, vrede te nemen met de bescheiden plaats die we nu eenmaal in het concert der groten in moeten nemen.

Laat ik twee voorbeelden geven uit de Franse cultuursfeer. Eén: het 'Mémorial Goethe' te Sessenheim in de Elzas, waar Goethe met zijn vriend Weyland, beiden studenten te Straatsburg, naartoe trok en waar hij een prille liefde opvatte voor Frederike, de dochter van de dominee, een avontuur dat hij in zijn Dichtung und Wahrheit zo innemend heeft beschreven. Er staan vitrines in het Mémorial, waarvan de ene -als ik het me nog woordelijk herinner- als opschrift draagt: Aperçu de la littérature française, en een andere: Rapports entre la littérature française et le jeune Goethe! Twee: in de muziekgeschiedenis onderscheidt men op de overgang van middeleeuwen naar renaissance al langer de zogenaamde Nederlandse scholen. In een reeks recente uitzendingen op France Musique had men het steevast over de 'écoles franco-flamandes', waarbij de oude Nederlanden met hun Diets- en hun Franssprekende gewesten volkomen de mist ingingen. Ik voege er nog een imaginaire drie aan toe (voor mijzelf evenwel reëel genoeg): kunt u zich voorstellen hoeveel kennis van Franse, Engelse of Duitse auteurs van ons verwacht wordt in een gesprek over Europese literatuur met docenten uit die cultuursferen? En hoe weinig kennis we van hen kunnen verwachten als met de nodige schroom de naam van een Nederlands of Vlaams auteur vooruitgeschoven wordt? Achterberg? Van Ostayen? Couperus? Boon? Nooit van gehoord. On ne peut pas lire tout. What are they important for? Schick mir mal was von denen.

En het houdt niet op: wat doen we met de culturele, zogenaamd ethnische minderheden in onze nationale staten? Precies de cultureel en literair vaak rijke en principieel interessante regio's die binnen de nationale staten steeds het zwarte schaap zijn geweest. De Catalanen? De Galiciërs? De Friezen? De Bretoenen, de Welshmen, de Ieren en de Schotten? De Sorben? De Macedoniërs? En ga zo maar door. Betekent europeanisering voortgezette negatie, voortgezette verdrukking? De cultuurpolitiek van de nationale staten gaf in het verleden één grote strijd te zien om van pluriformiteit, van een welhaast kaleidoscopische, ongemeen boeiende veelvormigheid tot

141