Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: De rol van de leraar Nederlands in het extra muros projectwerk (Mark Maes)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

lettertjes inclusief, de waarde van een handtekening, enige noties over aansprakelijkheid en dergelijke behoren zeker tot het domein van het zakelijk-communicatief-pragmatisch taalonderwijs.

Via rollenspelen kan men ook enkele te verwachten situaties simuleren, een duidelijk onderscheid maken tussen een steriel 'interview' met voorgekauwde vragen en een echt vraaggesprek, waarbij de leerlingen flexibiliteit en toch trouw aan de algemene opzet van de geplande vragen en belangstellingspunten moeten leren. De publieksgerichtheid -men spreekt anders met een ambtenaar dan met een grondwerker- kan bewust gemaakt worden, bijvoorbeeld naar aanleiding van een cassetteopname. Selectie van het materiaal door de leraar voor de presentatie en nabespreking in een plenaire 'les' op het terrein of achteraf op school, moet wel gebeuren om het geheel levendig te houden. Ook het maken van notities, met in het achterhoofd het eindprodukt van een informatiebundel, dient gestimuleerd en eventueel bijgestuurd.

In die notities dient ook ruim aandacht gevraagd voor belangrijke leerdoelen als de synthese en parafrase, het exact noteren van eigennamen en nieuw aangeleerde jargontermen, het leren opstellen van tentatieve profielen van de gesprekspartners op het terrein en de beargumenteerde eigen oordeelsvorming. Vooral bij vergelijkende projecten (het eigen en het 'vreemde' milieu) kan er bij deze laatste onontbeerlijke activiteit van de evaluatie de aandacht gevestigd worden op (on)uitgesproken presupposities, al te vlugge causale verbanden: op die manier kan vooral in de hogere jaren de argumentatieleer op het terrein uitgetest of inductief opgebouwd worden.

De vier klassieke vaardigheden (luisteren naar interpellanten, spreken met 'vreemden' en in de eigen groep, lezen om informatie te verzamelen of om te discussiëren over verschillende interpretaties van wat men samen meemaakte, en uiteraard het opschrijven van allerlei objectieve en subjectieve gegevens) worden hierbij dus ook met een vijfde uitgebreid: het kijken, het observeren. Woord en beeld steunen elkaar.

5 Naverwerking.

Op het einde van elke dag, van de periode en terug op school dient heel wat werk besteed te worden aan het opstellen van korte, informatieve en aantrekkelijke verslagen. Hoe een informatiebrochure op een aantrekkelijke, semi-professionele of op een arbeidsintensieve, maar amateuristische manier kan opgesteld worden zal van groot belang zijn, ook voor het imago van de school. Algemene raadgevingen over de technische leesbaarheid van begeleidende teksten, onderschriften bij foto's, het opstellen van wervende uitnodigingen voor een avond met dia's, video's en korte flitsende verslagen door de leerlingen behoeven echt niet zoveel tijd in beslag te nemen, als men maar let op het aanspreken van het publiek, het vlug en kernachtig aanbrengen van de kernideeën, het logisch structureren van de presentatie en het invoegen van ervarings- en publieksgerichte exemplarische anekdotes.

Zelf pleit ik daarom ook voor het verwerken van korte reisimpressies, persoonlijke notities over de thema's, maar ook over het groepsgebeuren, de nieuwe klasgeest die tijdens een dergelijke GWP kan ontstaan. Creatieve schrijfopdrachten kunnen hierbij helpen: haikoes, verhaaltjes: 'Wat zou hier gebeuren indien....', rijmende liedjes, absurdistisch verlopende sketches (bijvoorbeeld op basis van misgelopen projecten,

159