Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Nieuwe ontwikkelingen in de literatuurgeschiedenisschrijving en hun betekenis voor de waardering van de 19e eeuw (Marita Mathijsen)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

negentiende eeuw hem nog weet te boeien. De Nijmeegse hoogleraar K.Fens zegt dat we de directe relatie en de herkenning in de zin van verbondenheid en gemeenschappelijkheid met de negentiende eeuw al lang kwijt zijn. Een dergelijk beeld treft men ook aan in de recente literatuurgeschiedenis van de Leidse hoogleraar T.Anbeek, die Tachtig een definitieve breuk met de voorgangers noemt, en een aantal kenmerken geeft voor de tachtigers, zoals een eenling zijn en buiten de maatschappij staan, die juist in de vroege negentiende eeuw van toepassing zijn. Anbeek noemt Tachtig dan ook een late doorbraak van de romantiek in Nederland, wat op zijn minst een weinig historisch standpunt genoemd moet worden.

Bij Anbeek wreekt zich de algemene aanpak van veel literair-historische overzichten. Gewoonlijk zijn die als volgt opgebouwd: in het buitenland bestond stroming X - wat bestond er in Nederland? Die stroming kan nu eens uit Frankrijk, dan weer eens uit Duitsland of Engeland gehaald zijn. het kan om een mengelmoesje van ideeën gaan of om een manifest van een kunstenaar, maar in elk geval dient het buitenlands patroon in Nederland nageborduurd te worden, en als Nederland dat niet doet, loopt het achter.

Zo zijn de meeste literatuurgeschiedenissen, inclusief de schoolboeken, of positivistische opsommingen, of gammele pogingen tot stroomlijning via buitenlandse stromingen. Na een algemeen overzichtje stapt de beschouwer maar gauw over op behandeling van individuele schrijvers. De nieuwste literatuurgeschiedenis (Nederlandse literatuur, een geschiedenis) kampt met een ander gebrek. De anecdotiek is hier ingeslopen en een verband tussen de vele stukjes is niet te ontdekken. De lezer krijgt een zak vol met kralen in allerlei materialen en kleuren en vormen, maar geen rijgdraad, laat staan sluitinkjes om er snoeren van te maken.

Vooral de buitenlandse invalshoek bleek voor het beeld van de negentiende eeuw negatief te werken. Pas doordat men oog kreeg voor het typisch Nederlandse, 'the Dutchness' om dan toch maar een buitenlandse term te gebruiken, kon er nieuwe waardering ontstaan. Een dergelijke historische invalshoek vereist dat de onderzoek afstand doet van enkele schijnbare vanzelfsprekendheden. In elk geval moet een esthetisch standpunt verlaten worden als uitgangspunt. Dit kan erg boud klinken voor leraren die zich ook als taak hebben gesteld de schoonheid van de Nederlandse taal te laten zien, en liefde voor de literatuur bij te brengen. Maar ik meen dat het niet meer dan een didactisch startpunt mag zijn om uit te komen bij een bredere blik.

Hetzelfde geldt voor het comparatistisch standpunt. Wie vanuit het binnenland naar het buitenland kijkt en dan weer terug, vervalt al gauw in oncontroleerbare statements als: er is geen romantiek in Nederland geweest. Want alles was maar modieus navolgsel, de romantiek was niet doorleefd, er waren geen echte godsloochenaars en geen onmaatschappelijke zwervers. Afgezien daarvan dat het moeilijk aan te tonen valt dat een verschijnsel slechts modieus was en niet doorleefd, geloof ik ook dat het weinig zinvol is dat te onderzoeken. Zo nodig kan ik een dozijn sifilislijders, hoerenlopers, antichristenen, zuiplappen, opiumschuivers en vluchtelingen uit de hoge hoed van de literaire historie toveren, maar daar gaat het niet om. Wat uitgangspunt voor de onderzoeker moet zijn is, dat er een continue proces van schrijven en lezen is geweest en die situatie moet beschreven worden. Het gaat om het hele literaire leven, en niet alleen om kleine aspecten daarvan.

166