Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Integratie van eerste- en tweedetaalonderwijs in de onderbouw van het Voortgezet Onderwijs (Theun Meestringa)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

op de basisvorming) en buiten school in maatschappelijke situaties.

Het is niet zo dat alle 'operationele doelstellingen' voor bijvoorbeeld de taaltaak 'het klassegesprek' beheerst moeten worden voor de leerling naar een andere taaltaak over kan. Er zal bij verschillende taaltaken aan dezelfde deelvaardigheden gewerkt kunnen worden. Waar het om gaat is vast te stellen welke deelvaardigheden bij die ene taaltaak geoefend en beoordeeld (kunnen) worden. Leerlingen zullen daarbij verschillen in prestatie van bijvoorbeeld 0 = niet beheerser, 1 = minimale beheerser, 2 = minimale beheerser +, etc.

Waar de grens van de minimale competentie precies gelegd moet worden, is overigens geen zaak die ergens achter het bureau vastgesteld kan worden. Daarvoor zal overleg nodig zijn met docenten en met 'ontvangers': docenten van andere vakken, van hogere klassen en mensen in maatschappelijke situaties, zoals werkvloerbazen in bedrijven, waarin de leerlingen bepaalde taaltaken nodig zullen (kunnen) hebben. Ons inziens vraagt dit dus nog enig ontwikkelwerk en dat moet niet te licht geacht worden. Maar zo'n verheldering van de doelstellingen van het vak zal positieve effecten kunnen hebben op de motivatie van de leerlingen en de status van het vak.

Een leerling is alleen maar gemotiveerd om te leren als het voor hem duidelijk is, dat er (op korte of lange termijn) een resultaat te behalen is. Geen mens begint immers aan een leertaak als hij niet tenminste een sprankje hoop heeft dat die ergens toe leidt en dat hij het gewenste resultaat kan behalen. Leren moet dus leiden tot een resultaat. Dit resultaat noemen we 'leersucces'. Door nu voortdurend duidelijk te maken dat de leerling op een voldoende niveau (minimale competentie) of hoger weer een taaltaak afgerond heeft, kunnen alle leerlingen leersucces blijven ervaren. De docent heeft tegelijk de middelen om zwakkere en betere leerlingen, eerste- en tweede-taalleerders bij elkaar in de klas te houden. Maar dit veronderstelt wel dat de docent inzicht heeft in de opbouw van het programma, van de minimale competenties per taaltaak en de middelen kan gebruiken die daarbij ontwikkeld moeten worden (een registratiesysteem en, eenvoudige, evaluatiemiddelen).

7 Een feedback-systeem maken

Daarmee zijn we aangeland bij het feedback-systeem. We willen dat nog even toelichten. Als men de operationalisatie (in constructen) op een bevredigende wijze heeft volbracht en aangegeven wanneer de taaltaken voldoende beheerst worden, kunnen leerlingen en docenten greep krijgen en houden op het individuele leerproces. Het kunnen ervaren van leersucces vooronderstelt een 'feedback-systeem', een systematische aanpak van de reflectie. Het gaat in het feedback-systeem dus om het door leraar en leerling systematisch gebruiken van 'instrumenten' om te bepalen of en in welke mate er sprake is van leersucces en wat de volgende leerdoelen kunnen zijn. Die instrumenten kunnen bestaan uit een observatie, een kort gesprek (van leerling en docent), een vragenlijst, en uiteraard de gangbare toets. Op een registratieformulier van een leerlingvolgsysteem kan men bijvoorbeeld bij de taaltaken aangeven:

welke deelvaardigheden voldoende beheerst moeten gaan worden,

welke instrumenten gebruikt kunnen worden en

of de leerling de taaltaak voldoende (of beter) beheerst.

172