Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Dertien vragen over een taalmethode (Paul Mesdagh, Jos Thijssens & Eric Tytgat)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

voortdurende wisselwerking tussen de verschillende niveaus. Een differentiatiesysteem waarbij bijvoorbeeld de zwakkeren worden gestraft met extra oefeningen (herhaling) omdat ze zo zwak zijn en de sterkeren ook worden gestraft met extra oefeningen (uitdieping) omdat ze zo goed, lijkt me een karikatuur van differentiatie. Uitgaande van de handelingsstructuren van de leerlingen wordt in diagnostiserend leren een analyse gemaakt van het gewenste leerresultaat in concrete doelstellingen, vervolgens wordt er nagegaan welke moeilijkheden zich daarbij kunnen voordoen en ten slotte wordt een geschikte aanpak van die moeilijkheden gepland. Een zinvolle en boeiende methode die tot de verbeelding spreekt, maar die zo arbeidsintensief is dat het moeilijk als systeem vol te houden is.

Wij houden van de uitnodigende aanpak: in de les ('de instap') worden de leerlingen geleidelijk voorbereid op 'de uitstap'. Daarin krijgen ze uitdiepende en vaak creatieve opdrachten. Ze werken individueel of in groep, in of buiten de school, tijdens of buiten de lesuren. Het is 'echte' differentiatie. Alle leerlingen krijgen dezelfde of gelijkaardige opdrachten, maar afhankelijk van hun inzet en hun mogelijkheden bereiken ze verschillende resultaten.

5 Hoe ga je om met authentieke taalverschijnselen?

Als leerlingen niet zien hoe wat zij op school aangeleerd krijgen praktisch bruikbaar is, raken ze snel gedemotiveerd. Als zij de lessen Nederlands te veel als een schoolvak ervaren, gaan zij zich ertegen verzetten. Een eenvoudige manier om dat verband te leggen is het teruggrijpen naar authentiek taalmateriaal. Authentiek betekent niet alleen 'onvervalst, echt', maar ook 'betrouwbaar'. Door gebruik te maken van bestaande taal werkt de leraar onvervalst. Of het materiaal ook betrouwbaar is, wordt het onderwerp van taalbeschouwende lessen. De controle op de effectiviteit van de gebruikte taal kan bijna klinisch worden doorgevoerd. Zo draagt de lesgever aan de authenticiteit bij. Maar ook de leerlingen moeten op een zelfstandige manier authentiek zijn. Zij moeten leren om de taalvaardigheden die de leraar hen bijbrengt op een effectieve manier buiten de school toe te passen.

Dat kunnen ze door per schooljaar een (beperkt) aantal 'dossiers' samen te stellen. Die dossiers sluiten op een logische wijze aan bij een onderwerp dat in een les werd behandeld. Zij gaan zelf op zoek naar informatie over het onderwerp. Daarvoor zullen zij misschien moeten telefoneren, brieven schrijven, faxen, kranten lezen, of een artikeltje uit een Engelstalig tijdschrift vertalen. Zij zullen ook fotomateriaal moeten opsporen, verzamelen, selecteren, ordenen en van onderschriften voorzien; zij maken een indeling in hoofdstukjes, bedenken daar dan titels bij en lay-outen het geheel. Zij werken het dossier netjes af met inhoudsopgave en register en voorzien het van een zelfontworpen titelblad. Dat is een zeer intensieve manier om niet enkel met authentieke taal bezig te zijn, maar ook om zelf een authentieke taal te ontwikkelen. En de leraar weet meteen ook hoe de leerlingen de eventueel thematisch gegeven lessen zelf kunnen actualiseren.

178