Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Dertien vragen over een taalmethode (Paul Mesdagh, Jos Thijssens & Eric Tytgat)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

6 Hoe nauw zijn luisteren en spreken verwant? En hoe zit het met kijken?

Luisteren en spreken zijn zo nauw aan elkaar verwant dat je beide vaardigheden niet mag opdelen. Tijdens een toespraak of voordracht zal het publiek natuurlijk alleen maar luisteren en zal de spreker ongestoord een betoog kunnen opbouwen. Beide vaardig-heden kun je trainen door gebruik te maken van enkele eenvoudige trucjes. Maar de situaties waarin enkel wordt geluisterd of gesproken zijn niet zo talrijk. Meestal is er een interactie, een dialoog en daar wordt het moeilijker. Vaak (meestal) ontaardt een dialoog in een stellingenoorlog ('stelling' hier in de betekenis van 'mening') met twee sprekers en geen luisteraars.

Een taalmethode moet erop gericht zijn de juiste accenten te leggen op de luistervaardigheid. Het belangrijkste aspect is weer de attitude: de luisterbereidheid. Hoe kom ik in de gedachtenwereld van de andere? (empathie) Hoe toon ik interesse? Hoe laat ik zien dat de boodschap aankomt, dat ik de andere begrijp? Dat is dan weer een technische vaardigheid die gemakkelijk kan worden getoond (feed-back), maar het inhameren ervan laat vaak te wensen over. Pas wanneer dergelijke vaardigheden in alle vakonderdelen worden toegepast, kun je spreken van een methode.

Hoe zit het met kijken? In de verkoop zijn de eerste twintig seconden doorslaggevend, de eerste twintig woorden en de eerste twintig gebaren. Bewust leren kijken naar elkaar (uiterlijk, houding, gebaren, ...) en naar gemanipuleerd beeldmateriaal (prent, film, tv) wordt tot nu toe te weinig behandeld op school. Zal onze maatschappij binnenkort worden gedomineerd door de beeldcultuur? Verdringt het tv-kijken het lezen? Is het beeld hét nieuwe medium voor zowel ontspanning als duiding? Wij menen al die vragen te kunnen beantwoorden met een neen.

Een heel interessant werk over de lees- en kijkcultuur is Wij amuseren ons kapot van Neil Postman. Daarin tracht hij aan te tonen dat het beeld te kort schiet bij duiding. Beelden selecteren immers een stukje van de werkelijkheid en gaan bovendien veel te snel. Het is onmogelijk het getoonde materiaal rustig te ontcijferen, er even afstand van te nemen, het weg te leggen tot op een meer gepast tijdstip. De televisie is een prachtig medium voor gezellige spelletjes, quizjes, talkshows (waarin niets wordt gezegd) en dergelijke. Hopelijk wordt het toestel alleen daarvoor nog gebruikt, aldus Postman.

Uiteindelijk zal de beeldtaal het geschreven woord nooit kunnen verdringen. Elk medium zal worden toegepast voor de boodschappen die zich er best toe lenen. Maar misbruiken blijven mogelijk. Een globale taalmethode moet daarvoor klaarstaan. Beeldtaal en (moeder)taal hebben immers alles met elkaar te maken: alle beeldmateriaal is eerst uitgedacht en daarna uitgewerkt op papier, telkens met taal. Bij beeldtaal bepaalt de vorm meer en meer de inhoud. Hoe komt het dat soapseries zo boeiend zijn ondanks de filterdunne verhaaltjes? Louter door enkele vormaspecten en dat zijn er niet eens veel. Het is belangrijk in een methode de leerlingen te wijzen onder het glitterlaagje van de beeldindustrie. Onder wijzen. Onderwijzen.

179