Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Een jeugdliteraire canon: een zegen voor het literatuuronderwijs? (Harry Bekkering)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Een jeugdliteraire canon: een zegen voor het literatuur-

onderwijs?

Harry Bekkering

Niet zonder enige pretentie zijn wij, de sprekers van vandaag, in deze stroom uitgenodigd. Wij zouden immers iets moeten vertellen over de ontwikkelingen in ons vakgebied en daaraan, zo mogelijk, consequenties verbinden voor het onderwijs, in dit geval het literatuuronderwijs. Anders gezegd: wij worden geacht het 'nut' van de literatuurwetenschap te kunnen aangeven voor het literatuuronderwijs. Zo'n opdracht draagt natuurlijk enige gevaren in zich. Wij, ik althans, ken de praktijk van het literatuuronderwijs nog slechts in beperkte mate, via mijn kinderen; mijn eigen praktijk is al weer enige tijd geleden. Wat ik nog wel tot op zekere hoogte volg, zijn de artikelen op het terrein van de literatuurdidactiek, maar of die altijd de situatie in de praktijk weerspiegelen, is de vraag. Wat ik met het een en ander wil zeggen is dus dat mijn visie op het onderwijs, het literatuuronderwijs onvermijdelijk een beperkte is. Deze relativering leek me op zijn minst op zijn plaats aan het begin van mijn betoog.

Enige tijd geleden heb ik een stuk geschreven voor wat in sommige kringen het nieuwe handboek heet Nederlandse literatuur. Een geschiedenis. Die bijdrage had als onderwerp 'de emancipatie van de jeugdliteratuur na de Tweede Wereldoorlog'. Van mij werd verwacht dat ik in zou gaan op de kwestie in hoeverre jeugdliteratuur beschouwd zou kunnen worden als een volwaardige vorm van literatuur. De redactie van dat handboek ging kennelijk van de veronderstelling uit dat waar het de moderne jeugdliteratuur van de laatste tien jaar betreft, sprake is van een emancipatie in literaire zin. Waar ook wel wat voor te zeggen valt. Ik wijs in dit verband op het in 1985 met een Gouden Griffel bekroonde Kleine Sofie en Lange Wapper van Els Pelgrom, waarover de jury in haar rapport onder meer opmerkt, dat er sprake is van "een bijzonder mooi gebouwd en ontroerend verhaal, dat door thema en verteltechniek alles in zich heeft om een klassiek boek te worden." Daarnaast wordt gewezen op het evenwichtige taalgebruik, dat oorspronkelijk en mooi van beelden genoemd wordt. Ik benadruk de gecursiveerde woorden, omdat het argumenten of criteria zijn die men als typisch literair zou kunnen bestempelen. Dit boek, waarin de kritiek zelfs allusies op Dante meende te ontdekken, staat, dunkt me, aan het begin van een reeks van werken die vanuit dezelfde literaire intentie geschreven lijken, zoals Annetje Lie in het holst van de nacht van Imme Dros (1987) en Lieveling, boterbloem van Margriet Heymans (1989). Bij de beoordeling van kinder- en jeugdboeken lijkt een literaire argumentatie vanzelfsprekend te zijn geworden. Ook Anne de Vries is dit in zijn artikel 'Het verdwijnende kinderboek' niet ontgaan (ook al blijkt hij deze ontwikkeling anders te waarderen dan ondergetekende; hij vindt dergelijke boeken al te literair, althans voor kinderen):

"Misschien is de ontwikkeling van het kinderboek erdoor gestimuleerd. In ieder geval verschijnen er meer literaire kinderboeken: beter van taal, hechter van compositie. Het komt ook steeds vaker voor dat je een kinderboek op meer dan één niveau kunt lezen: het is niet alleen een spannend verhaal; op een abstracter niveau kun je er nog een andere betekenis aan toekennen , die er nu eens niet dik bovenop ligt." (De Vries 1990).

18