Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Dertien vragen over een taalmethode (Paul Mesdagh, Jos Thijssens & Eric Tytgat)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

7 Hoe kan een taalmethode omgaan met vakoverschrijdende eindtermen (in Vlaanderen) als 'leren leren' en 'interculturalisme'?

Als leraar Nederlands moet je vrij vaak optreden als klusjesman voor andere vakken. Dat is ten dele terecht, vooral als het erop aankomt de leerlingen taalvaardigheden bij te brengen die hen in staat stellen om voor andere vakken beter te functioneren: een verslag kunnen maken van een biologieproef of een aardrijkskunde-uitstap, het correct leren formuleren van een definitie; of ten dele onterecht, zoals het uitdiepen van het meewerkend voorwerp in verband met de Latijnse datief. Je kunt echter veel meer aanbieden. Luisteren, kijken en notities nemen zijn basistechnieken van het studeren. Een goede taalmethode zal niet enkel uitvoerig aandacht besteden aan de aparte ontwikkeling van die vaardigheden, maar ook aan het simultane gebruik ervan. Je kunt de leerlingen leren omgaan met naslagwerken en het gebruik aanmoedigen.

Naast genietend lezen zal een taalmethode ook aandacht besteden aan lerend lezen. De leerlingen .leren ordenen, hoofd- van bijzaken onderscheiden en schematiseren (syntheses maken leren ze pas achteraf). Zij hanteren daarbij een voor hen bruikbaar systeem van symbolen dat zij tijdens het lezen meteen op de tekst kunnen toepassen.

Hetzelfde geldt voor interculturalisme. Het zijn vaak de taallessen die het meest geschikt zijn om maatschappelijk geladen teksten of onderwerpen aan bod te laten komen. Door een gepaste keuze van de tekstfragmenten voor de leeslessen en de zinnen voor de oefeningen kunnen nieuwe inzichten langzaam bespreekbaar worden gemaakt. Hier is het gebruiken van authentiek materiaal onvermijdelijk.

8 Welke praktische (levens)vaardigheden naast taal/schoolvaardig-heden?

Het is een vreemd verschijnsel dat levensecht materiaal in de klas een metamorfose ondergaat: een krant, een tijdschrift, een cassetterecorder, een tv, een videorecorder, een computer, ze worden allemaal didactisch materiaal. Ze verliezen hun frisse natuurlijkheid en krijgen onwillekeurig een schools tintje. Je kunt er niet omheen. Dit is zeker geen pleidooi om al dat materiaal uit de klas te weren. Integendeel. Enkele voorbeelden hoe dat werelds materiaal in schoolse wereld kan worden ingepast:

bronnen leren gebruiken: uiteraard woordenboeken, encyclopedieën en andere naslagwerken, maar ook reisgidsen en -brochures, treingidsen, reclamebladen, wegenkaarten, plattegronden, telefoongidsen, ... etikettering (ook kritisch) leren lezen (consumentenopvoeding), bibiotheekl even,

omgaan met registers, inhoudstafels, e.d.

9 Hoe breng je leerlingen al van in de eerste graad van het secundair onderwijs op weg naar literatuur?

Lezen wordt als taalactiviteit niet altijd even ernstig genomen. Er is de controverse met de strip, die leesluiheid in de hand zou werken. Er is het gebrek aan tijd, want er is altijd wel iets op televisie. Er is het leesvoorbeeld van de ouders (ongeveer 15% van de volwassenen leest geregeld een boek). Er is Sinterklaas, die zelden een boek in zijn folders aanbiedt. Er is het kind dat nog nooit met een genietbaar boek werd

180