absurdisme en demonstreert de andere docent er de spanningsopbouw aan; en wordt Minco's verhaal 'Het adres' aangewend voor verheldering van de begrippen tijd, flashback, chronologie, structuur en understatement.
Zetten we de verschillende motieven voor het aanwenden van een voorleestekst op een rij, dan geeft de enquête het volgende beeld. In de eerste plaats wil men een literair verschijnsel illustreren. In dit geval zoeken de docenten teksten die de leerlingen aanspreken en tegelijkertijd informatie geven bij de uitleg van literaire stromingen, genres enzovoort. Interessant is dat onder de literaire stromingen de voornaamste stromingen sinds de romantiek genoemd worden: romantiek en sentimentalisme, naturalisme, Nieuwe Zakelijkheid en magisch realisme, existentialisme en absurdisme.
Wat de genreleer betreft worden genoemd: sprookjes, short stories, fantasieverhalen, historische roman, autobiografie, dagboek, massaliteratuur en politieke satire. Aangaande de stijl wordt zo ongeveer alles genoemd wat denkbaar is. In algemene zin wijst men op de mogelijkheid om de stijl van een auteur voelbaar te maken of typische kenmerken van een stijl. Eveneens algemeen zijn aanduidingen als dubbele bodems, eenvoud, effectiviteit, extra betekenis die stijl geeft aan een tekst, het triviale karakter van een dialoog, sfeerbeschrijving, vergelijkingen en beeldspraak. Daarnaast is er veelvuldig sprake van het cluster humor, ironie, cynisme, spot en understatement, en in het verlengde hiervan stijlfiguren als climax, anti-climax, cliché, herhaling, hyperbool en toespelingen.
De vierde categorie in deze leerstof-illustratie betreft de structuur van een literaire tekst. Het belangrijkst is hier blijkbaar de spanning (8x), met de functie van het decor in de spanningsopbouw, de spanningsopbouw zelf en het verrassingseffect in het slot. Voorts worden hier genoemd: de relatie tussen opening en slot, geslotenheid, het in medias res beginnen. Dan nog elementen als: flat characters, thema, motief, ritme, ruimte, tijd, tijdverloop, chronologie, flash-back en titelverklaring. Graag (7x) wijst men ook op het perspectief van de verteller, diens alwetendheid, perspectiefwisseling en de functie daarvan. Een vijfde categorie ten slotte, vormen opmerkingen die verwijzen naar vaak gevoerde literaire discussies als: laten zien wat fictie is met een kern van realiteit, of wat moreel oordeel betekent, wat het verschil is tussen lectuur en literatuur, of in hoeverre de verwachting van de lezer wordt gehonoreerd.
In totaal worden liefst 127 verschillende thema's aangeduid. Wanneer we die naar hun aard clusteren, blijken er vijf hoofdthema's te zijn. Eén hoofdthema ligt dichtbij de onderwerpen in de vorige paragraaf: de literatuurles zelf. Verder kunnen we noemen: leven en dood, oorlog, andere maatschappelijke verschijnselen en problemen. Ten slotte nog het meest voorkomende hoofdthema: het eigen bestaan van de leerling, met invullingen als relaties, intimiteit, sociale contacten, eenzaamheid, gebroken gezin, weglopen, strijd tussen generaties, machtsstrijd tussen leraar en leerling enzovoort.
3.3 De reacties van de leerlingen volgens de docenten
Tijdens het voorlezen reageren leerlingen volgens de respondenten vrijwel altijd positief. Als het verhaal spannend of ontroerend is, zijn ze muisstil; als het komisch is, lachen ze. Komen er ook op de lange termijn reacties? Welnu, de boeken waaruit fragmenten zijn voorgelezen, komen nogal eens terecht op de boekenlijsten en sommige leerlingen lezen zelfs andere boeken van dezelfde schrijver. Een docent: "Nooit zegt iemand tegen een
189