Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Een jeugdliteraire canon: een zegen voor het literatuuronderwijs? (Harry Bekkering)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Het een en ander blijkt ook uit de instelling van de Woutertje Pieterse Librisprijs in 1988, een initiatief van enkele jeugdliteraire critici, die van mening waren dat jeugdliteratuur tot dan toe in te geringe mate als een volwaardige vorm van literatuur werd beschouwd. Dit pleidooi had bijna onmiddellijk succes. Eerdere winnaars van genoemde prijs in 1988 (met De dame en de neushoorn), Anne Vegter en Geerten ten Bosch, dongen met Verse Bekken! zelfs mee naar de AKO-literatuurprijs 1991. Als dat geen emancipatie van de kinder- en jeugdliteratuur mag heten!

Dit soort opmerkingen maakte ik in Nederlandse literatuur. Een geschiedenis. Een literairhistorisch boek dus. Nu heeft Kees Fens enige tijd geleden in een (ongepubliceerde) lezing over 'de ideale literatuurgeschiedenis' de volgende zienswijze over de plaats van de jeugdliteratuur in historisch opzicht ontvouwd. Hij gaat ervan uit dat de geschiedenis van een literair werk de geschiedenis is van zijn interpretaties; die geschiedenis is óók zijn waarderingsgeschiedenis. Als een werk steeds weer opnieuw geïnterpreteerd wordt, wordt het gewaardeerd, lijkt de gedachte. Geschiedschrijving is vorm geven aan het verleden en dus aan datgene wat men uit het verleden overgehouden denkt te hebben. Hij illustreert deze zienswijze aan de hand van het werk van de dichter Leopold. De geschiedenis van het werk van deze dichter is vooral de geschiedenis van een toenemend aantal interpretaties: steeds meer interpretaties leiden tot een belangrijke plaats in de literatuurgeschiedenis. Andersom geldt het ook natuurlijk. Over de poëzie van A.Roland Holst verschijnen niet of nauwelijks nog interpretaties met als kennelijk onvermijdelijke consequentie dat hij langzaam uit de literatuurgeschiedenis lijkt te verdwijnen. In Nederlandse literatuur. Een geschiedenis komt hij inderdaad als dichter niet voor.

Zo'n redenering leidt ertoe dat er eigenlijk geen literatuurgeschiedenis van de jeugdliteratuur te schrijven is, althans niet naar het model van de literatuurgeschiedenis zoals wij dat veelal kennen. Als verklarende illustratie noemt Fens een eigen stuk over Minoes van Annie M.G. Schmidt en één van Guus Sötemann over de kinderversjes van dezelfde. auteur (beide opgenomen in Altijd acht gebleven). Al hun waarnemingen (over structuur, rijm, prosodie) leiden niet tot een nieuwe tekst, zoals dat met interpretaties van bijvoorbeeld Cheops en Awater wel het geval is. Minoes en haar poëtische pendanten kúnnen die ook niet leveren, omdat die teksten naar het oordeel van Fens daar te enkelvoudig voor zijn. Het werk van Schmidt -jeugdliteraire teksten in het algemeen in de visie van Fens, vermoed ik- bezit kennelijk geen groeikern, het heeft niet dat kameleontische vermogen dat literatuur kan hebben. Jeugdliteraire teksten krijgen zo dus niet een geschiedenis van interpretaties, zij gedragen zich niet als literatuur, omdat ze het vermogen missen tot metamorfose, tot gedaanteverwisseling en dat is betekenisverandering, literatuur eigen of zoals Fens het in een beschouwing over de vertaling van een boek van Proust (Over het lezen) in De Volkskrant (18 oktober 1993) onlangs fraai aforistisch uitdrukte: "Het literaire werk is een verwekker, geen voltooier."

Het standpunt van Fens komt in feite hierop neer: hij leest en bestudeert literatuur uit het verleden eigenlijk uitsluitend literairkritisch en blijft zo de literatuurcriticus die hij altijd geweest is. Hij heeft alleen oog voor die literatuur uit het verleden, die binnen het bereik van de literaire kritiek valt, dat wil zeggen met de literatuuropvattingen van nu gelezen kan worden. Het werk uit het verleden moet behoren tot het

19