Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Een onderzoek naar voorleesteksten (Wam de Moor, Dees Maas & Hermance Wissink)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

met expressie en humor).

In alle klassen vinden leerlingen voorlezen leuk als ze er om kunnen lachen en in de bovenbouw krijgen ook andere gevoelens, bijvoorbeeld ontroering, een kans. Uit alle lezersonderzoeken (Vos/Barend 1984, Van Woerkom 1990) blijkt dat boeken met humor zeer hoog scoren. Geen wonder dus. Teleurstellend moet het voor veel docenten zijn dat het voorlezen, als we deze leerlingen geloven mogen, maar weinig lijkt bij te dragen tot boekpromotie. De leerlingen hebben meestal wel zin om meer te lezen van dezelfde schrijver, maar dóen is een tweede.

Veel invullers van de. enquête noteerden bij een en dezelfde tekst meerdere criteria; de steekproef onder de leerlingen suggereert echter dat de criteria 1 en 2 (voorlezen voor de leesbeleving) nauwelijks effectief zijn wanneer ze gecombineerd worden met de andere criteria (als illustratie bij de leerstof). De docent moet waarschijnlijk kiezen wat hij beoogt met de voorgelezen tekst. Dat is ook nog om principiëlere redenen belangrijk.

5 Conclusies en discussie

5.1 Voorleesdoel en luisterhouding

We willen daarom de antwoorden van de door ons ondervraagde docenten bezien in het licht van al eerder verricht onderzoek op het gebied van de literatuurdidactiek. We noemen in dit verband de drie basisredenen om te lezen die Giehrl formuleerde: 1. het verlangen naar oriëntatie in de wereld, 2. het verlangen te ontsnappen aan de alledaagse werkelijkheid, 3. het verlangen naar zingeving en duiding van het bestaan. Het doel dat de lezer zich bij het lezen stelt, leidt tot een bepaalde leeshouding. In de terminologie van Giehrl (1969) kan men op een informatieve (basisreden 1), escapistische (2), cognitieve (1 + 3) of literaire (2 + 3) manier (willen) lezen.

Een docent moet zich het belang van een juiste lees-, in dit geval luisterhouding realiseren. Het succes van het voorlezen is afhankelijk van de medewerking van de leerlingen. Voor een optimaal resultaat moeten de luistermotieven van de leerlingen samenvallen met de redenen van de docent. Wanneer de docent slechts de leerlingen wil vermaken, kan hij uitgaan van een escapistische luisterhouding bij zijn leerlingen: ze weten dat er geen vragen gesteld zullen worden en kunnen helemaal opgaan in het verhaal. Kiest de docent een doel dat samenhangt met de leerstof, dan zal eerder de cognitieve luisterhouding worden aangesproken. Derhalve is een eerste voorwaarde bij het voorlezen, het beïnvloeden van de luisterhouding. Op welke basisreden van Giehrl zijn de leerlingen gericht? In een klassegesprek kan de docent de leerlingen wijzen op de verschillende mogeljkheden. Door voorlezen ter lering af te wisselen met voorlezen tot vermaak, kan hij de verschillende luisterhoudingen van de leerlingen trainen.

5.2 Longitudinaal voorlezen

Behalve door het doel van de voorlezing zal de docent zich laten leiden door het niveau van de klas. In de brugklas komen leerlingen vaak voor het eerst in aanraking met 'echte literatuur' en boeken als te analyseren grootheden. Welke boeken kies je voor hen?

Menige docent begint met jeugdliteratuur. Met name Thea Beckman en Jan Terlouw

191