Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Een onderzoek naar voorleesteksten (Wam de Moor, Dees Maas & Hermance Wissink)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

doen het goed in de klas, beter dan typisch literaire jeugdboekenauteurs (cfrt. Bekkering 1993). Dit komt overeen met de conclusie van Wijma (1981): leerlingen van 10 à 12 jaar zoeken naar duidelijkheid, houden niet van 'open plekken' (informatie die ze zelf moeten aanvullen) en juist wel van stereotypen (de held en de boef) en een sterke zwart-wittekening. Het geheel zien zij het liefst omlijst met een flinke dosis spanning of humor.

De docent moet beslissen deze voorkeur te honoreren of te doorbreken, een algemeen didactisch probleem uiteraard. De enquête leert ons dat veel docenten al met een soort voorlees-curriculum werken. In de onderbouw komen nog veel jeugdboeken op de lijst voor, terwijl dat later, afhankelijk ook van het schooltype, steeds minder wordt. Interpreteren we de gegevens van de enquête (tabel 4), dan is er longitudinaal gesproken duidelijk sprake van een verschuiving van voorlezen voor het plezier in de onderbouw naar voorlezen met een ander doel in de bovenbouw.

Tabel 5 Clustering criteria

 

 

onderbouw

bovenbouw

totaal v.o

1. Voorlezen als promotie of vermaak

70%

55%

63,5%

2. Voorlezen als middel

30%

45%

36,5%

Hierbij moet de kanttekening gemaakt worden dat met name in de bovenbouw het voorlezen voor boekpromotie en vermaak vaak samengaat met de criteria van het tweede type. Deze cijfers geven dus een 'geflatteerde' indruk: in feite wordt er in de bovenbouw veel minder voorgelezen voor het plezier in de tekst dan bovenstaande cijfers suggereren. Wat er feitelijk gebeurt, leiden we af uit de steekproef onder de leerlingen. De ondervraagde leerlingen geven ook regelmatig kritiek op het voorlezen zelf. 'Die leraar leest zo saai...' zeggen ze dan of ze beklagen zich erover dat het voorlezen alleen in de restminuten gebeurt als iedereen al zijn tas aan het inpakken is. Tegen beide punten trok Griffioen in 1980 al van leer.

5.3 Vier slotopmerkingen

  1. Voorlezen is voor veel leraren een middel om leerlingen te enthousiasmeren voor boeken. Leerlingen vinden het over het algemeen wel aardig wanneer er voorgelezen wordt. Toch bestaat er al in de brugklas een spanning tussen wat de leerlingen en de leraren willen. In de onderbouw komt die spanning het meest tot uiting in de boekkeuze. De voorkeuren van de leerlingen stroken niet met wat men verstaat onder 'de' literatuur. Leraren vangen dit probleem vaak op door jeugdromans voor te lezen. In de bovenbouw ligt de spanning vooral in het feit dat de leerlingen escapistisch willen luisteren en de leraren het voorgelezen fragment graag integreren in het lesprogramma. Naarmate de leerling hogere klassen bezoekt, wordt deze spanning groter. Klassegesprekken lijken de enige methode te zijn om deze spanning te breken, daar beide partijen er plezier aan beleven en er het nut van inzien.

  2. Levert de enquête voldoende materiaal op voor nieuwe bloemlezingen? Niet wanneer we ons zouden richten op de toppers. Op die manier wordt de zeer beperkte voorlees-canon immers in stand gehouden. Vrijheid blijheid, dat wel, en Van Kooten en Bomans zullen dan ook niet in de voorleesuurtjes ontbreken, daarvoor is het positieve effect te stellig. Maar voor docenten en leerlingen zouden de nieuwe bloemlezingen juist een

192