Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Een onderzoek naar voorleesteksten (Wam de Moor, Dees Maas & Hermance Wissink)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

avontuurlijke kennismaking met minder gelezen schrijvers moeten worden. Met name in de door ons opgestelde lijst van 28 ligt een basis voor vernieuwing, maar het is lang niet genoeg. Vandaar dat we in dit opzicht ons onderzoek voortzetten.

  1. Voor de samen te stellen bloemlezingen is nog iets anders noodzakelijk, namelijk dat elk in aanmerking komend verhaal op voorleesbaarheid bij de doelgroep wordt uitgeprobeerd. Sommige verhalen hebben we zelf uitgeprobeerd. We stuitten op diverse problemen. Bij het verhaal 'Fonduutje' van Van Kooten bijvoorbeeld, raakte iedere luisteraar de draad kwijt: er komen 27 namen van personages voor. Het verhaal 'Alle begin is moeilijk' van B. den Uyl is misschien niet zo geschikt als voorleestekst vanwege de vele bijvoeglijke naamwoorden en het gebrek aan actie (de schrijver reflecteert over zijn eigen schrijfstijl).

  2. Meer in het algemeen en in samenhang met de literatuur over het onderwerp stelde de werkgroep tijdens haar onderzoek het volgende vast. Om leerlingen te boeien en te raken is het belangrijk dat de verhalen actie, humor en/of spanning bevatten. Maar een juiste overdracht is toch afhankelijk van de creativiteit en de inventiviteit van de docent en de mate waarin deze de voorleesteksten aan de situatie (klas, tijd, weer etc.) aanpast. De voorleesbundels lijken ons dan ook niet bedoeld als norm maar als leidraad. Afwisseling is het sleutelwoord voor de samenstelling van de bundel. En om zoveel mogelijk aan de behoefte te voldoen moet rekening worden gehouden met de verschillende identiteiten van scholen en docenten. Maar of dat een haalbare kaart zal zijn?

Literatuur

Bekkering, H., 'Is jeugdliteratuur volwaardige literatuur?' Tsjip, ts. voor literaire vorming 3/4, dec. 1993, 40-44. Boland, J., A.van der Post, 'Wanneer krijgen we weer eens voorlezen?' Levende Talen, 30-36. Giehrl, H.-E., Der junge Leser. Donauwörth, 1969.   °

Griffioen, J., 'Voorlezen.' Levende Talen 349, februari 1980, 89-98.

Moor, W. de, 'De overwaardering van oud en poëtisch. Levende Talen, sept. 1981, 672-394. Teuws, L., Het heerlijke voorlezen, Literatuurdidactische Verkenningen 30. K.U. Nijmegen, 1990.

Vos, J. en M. Barend, Als ik op school niet hoede te lezen, las ik nooit. Leestekens, december 1984., 15-19. Wijma, M., Leeservaringen van 10- tot 12-jarigen. Spektator, 1981-1982, nr. 2, 123-141.

Woerkom, M. van, Schrijven over lezen. Een onderzoek naar de verwoordingen van leeservaringen 1892-1990 onder letterenstudenten en middelbare scholieren. Literatuurdidactische Verkenningen 32. K.U. Nijmegen 1990.

idem, De leesautobiografie als spiegel van de leescarrière. In: W.de Moor en - , Neem en lees. Den Haag 1992.

Noten

  1. In casu de werkgroep Voorleesteksten, afd. Literatuurdidactiek, vakgroep Algemene Kunstwetenschappen van de K.U. Nijmegen, 1992-1993, naast de auteurs bestaande uit Floor Basten, Lisa Damen, Yvonne van Gennip, Mariëlle de Grauw en Heleen Litmaath.

  2. Koekoek is hier uitgevallen: 2 maal vermeld in de bovenbouw, 1 maal in de onderbouw.

  3. Dat is een opvallende afwijking van de situatie die zich zo'n twintig jaar geleden voordeed, althans als het gaat om de teksten waarmee schoolbloemlezingen toen gevuld waren. Bij Knuvelder, Lodewick en hun tijdgenoten domineerde juist de oudere letterkunde en de poëzie. In 1981 vatte De Moor die situatie samen onder de titel 'De overwaardering van oud en poëtisch'. Zie Levende Talen, september 1981.

193