Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Een leergang fictie voor de basisvorming (Dick Prak)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

3 Nadere aanduiding van het lesmateriaal

3.1 Uitgangspunten

Het lesmateriaal moet de ideeën van het leerplan weerspiegelen.

Het moet kunnen dienen als aanvulling op een fictielijn uit een taalmethode.

Het moet samen met aanvullend lesmateriaal uit bijvoorbeeld Tikker/Bumper of Bulkboeken het fictie-onderwijs kunnen invullen.

Het moet opgebouwd zijn uit een minimum aan uitdrukkelijke theorie, met de nadruk op directe fragmenten met vragen en opdrachten.

Hoewel de gebruiker door de aard van het medium, een boek, aangewezen is op voorbeelden uit op papier gepubliceerde fictie, moeten verwijzingen naar voorbeelden van TV of film vanzelfsprekend zijn.

3.2 Opzet

De opzet van het leerlingenboek is:

Hoofdstuk 1: Wat is fictie?   Hoofdstuk 4: Tijd/plaats/situatie

Hoofdstuk 2: Spanning   Hoofdstuk 5: Tijd als structurerend element

Hoofdstuk 3: Personen   Hoofdstuk 6: Taal en beeld

Het docentenboek bevat aanwijzingen voor het gebruik, didactische werkvormen, facultatieve opdrachten, antwoorden op vragen.

4 Een voorbeeldhoofdstuk

HOOFDSTUK 3, les 2: Hoofdpersonen

Niet iedereen in een verhaal is even belangrijk. Meestal is er een hoofdpersonage, soms zijn er een paar. Verder kent het verhaal bijpersonen. De hoofdpersoon is degene om wie het verhaal draait, over wie het verhaal gaat. In deze les ontdek je wat kenmerkend is voor hoofdpersonen. Je leest een paar fragmenten uit Juffrouw Kachel van Toon Tellegen. Zij zijn aanleiding om na te denken over aardige en onaardige hoofdpersonen, het begrip 'ik-verhaal', wat er uitdrukkelijk verteld wordt en wat je raden moet.

Opdracht 1

In de klas worden de volgende fragmenten uit Juffrouw Kachel gelezen. In het verhaal beschrijft een jongetje zijn juffrouw op de basisschool. Je leert Juffrouw Kachel een beetje kennen. Beantwoord na het voorlezen de vragen. Bespreek die met je buur.

Vanmiddag pakte ze een jongen beet, trok hem uit de bank en gaf hem een harde klap. Zijn oor werd vuurrood en ik zag dat hij beefde. Wij hielden ons doodstil.

Ze zei: 'Denk je dat ik het leuk vind je een klap te geven?' Hij zei niets.

'Nou   ?' zei ze toen. Hij moest antwoorden.

'Nee,' zei hij.

Toen ik naar huis liep zei ik hardop, door de hele Vrouwenhoflaan en Coppelstockstraat: 'Ze vindt het wél leuk, ze vindt het wél leuk.'

Ik hoop niet dat ze een hond heeft. Ik zou die hond niet willen zijn. Maar ze heeft geen hond. Anders hadden we dat wel geweten. Ze heeft niks thuis. Vliegen. 0 wat zal ze dié doodslaan!

- Wie is Juffrouw Kachel? - Wat doet ze? - Hoe ziet ze eruit?

- Noem twee van haar eigenschappen.

- Zoek in de stukjes de zin die het beste past bij jouw beeld van haar. Schrijf die op.

202