Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Een leergang fictie voor de basisvorming (Dick Prak)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Opdracht 2

Lees voor jezelf de volgende fragmenten uit Juffrouw Kachel. Maak samen met je buur de volgende vragen.

 

Als je een vlek maakt in je tijdschrift krijg je een klap en moet je nablijven. Ik maakte een vlek in

het woord 'inkt' en moest honderd keer 'inkt' schrijven. Op één van die honderd 'inkten' maakte ik

weer een vlek. Ik kreeg een klap en moest weer honderd keer 'inkt' schrijven. Ik zat alleen in de

klas. Zij zat achter haar lessenaar en las een boek. Af en toe zuchtte ze diep. Ik schreef heel

voorzichtig, want ik wilde naar buiten. Ik wilde voetballen. Na die tweede honderd 'inkten' mocht

ik weg. Ze zegt nooit 'goed', nooit 'dag', nooit 'je mag gaan'. Ze knikt met haar hoofd en dan mag

je gaan. Wij zeggen ook nooit iets.

Ik wou dat ik een cowboy was. Ik was verdwaald en reed het schoolplein op. Ik stapte af en

maakte mijn paard aan de kastanjeboom vast. Ik keek door een raam en zag juffrouw Kachel die

een meisje sloeg. Kalm liep ik naar binnen, de klas in en zei: 'Juffrouw Kachel.' Zij draaide zich om.

'Komt u eens hier.'

Zij kwam naar mij toe. 'Wie bent...'

Maar ik zou haar niet laten uitspreken. Ik zou haar een verschrikkelijke draai om haar oren geven.

Zij zou vallen. Ik zou haar met een lasso boeien en achter mij aan sleuren. Ik zou 'jippijajee'

roepen (ik weet eigenlijk niet hoe je dat schrijft). En dan zou ik haar op mijn paard slingeren,

wegrijden en haar ergens in de woestijn achterlaten. Voor de gieren.

Verschrikkelijke juffrouw Kachel,

Hoe gaat het met u? Met mij gaat het slecht. Ik heb pijn aan mijn arm en mijn wang van die

klappen van u. U weet tóch niet wie ik ben want iedereen die u kent heeft pijn aan zijn arm en

zijn wang. Ik ga naar een andere school en kom in de klas bij een aardige juffrouw. Ik ga haar

vertellen over u, en dan begint ze te huilen en te stampvoeten, want ze zal u een monster vinden.

Of een gedrocht. Ze zal het ook doorgeven aan de regering en de radio. Op een goede dag ben ik

groot en dan bent u nog niet jarig. Ik laat u nu vast weten dat ik iets aan het bedenken ben wat u

toch verschrikkelijk zult vinden....begint u maar vast te beven voor mij.

Uw gevaarlijke vijand, xxx

 

Zo'n brief moet ik schrijven, zonder mijn naam eronder, en dan bij haar in de bus doen.* Maar als

ze mij op heterdaad betrapt? Of als ze iedereen aan zijn ogen omhoog trekt en vraagt: 'Heb jij die

brief geschreven?' Dan is dat mijn schuld. Ik kan die brief dus niet schrijven. Wat jammer eigenlijk,

want ze zou er wel bang van worden.

*

Ik maak hem met opzet een beetje kinderachtig. Dan is hij nóg erger voor haar, denk ik.

Als ik later schrijver word dan ga ik geen boeken schrijven over kabouters of eenzame jongetjes of

dieren, maar dan schrijf ik over slechte mensen en hoe het met ze afloopt. Over de moordenaars

van Floris de Vijfde, over de mensen die de gebroeders De Witt uit de gevangenis hebben gesleept

en hebben vermoord, over de beul van Van Oldenbarnevelt, over Hitler en over juffrouw Kachel. Ik

ben benieuwd hoe dát afloopt!

- Schrijf de naam op van één van de andere personen die in het verhaal voorkomen. Wat doet deze? Hoe ziet hij of zij er uit? Noem een eigenschap van zijn of haar karakter.

- Wat doet het jongetje dat het verhaal vertelt? Wat denkt hij? Noem twee van zijn eigenschappen. - Wie is volgens jou de hoofdpersoon in het verhaal, Juffrouw Kachel of de ik-figuur? Waarom?

Opdracht 3

Schrijf een stukje uit het dagboek van de ik-figuur. Verwerk daarin iets wat de 'ik' meemaakt. Beschrijf ook wat de 'ik' fantaseert over hoe hij wraak zou willen nemen op Juffrouw Kachel. Lees een aantal fragmenten uit jullie dagboeken voor in de klas.

203