Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Teksten leren becommentariëren aan de hand van een formulier (Joop Rosier)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

commentaarformulier dat de leerling moet invullen (zie p.209). Het voordeel van zo'n voorgedrukt formulier is dat de leerling een indicatie voor de lengte van zijn antwoord krijgt door de beschikbare ruimte op het formulier.

De opdrachten zijn om de volgende redenen gekozen. De opdrachten 1 en 2 vragen naar de naam van de schrijver en de titel. Ze dienen ter identificatie van het commentaar en kunnen verder een schrijver wijzen op het ontbreken van deze twee tekstgegevens. Opdracht 3 vraagt naar het onderwerp van de tekst in een of twee woorden, bij opdracht 4 moet de leerling de inhoud van de tekst in een of twee zinnen weergeven en bij opdracht 5 het onderwerp per alinea. Met dit soort opdrachten hebben de leerlingen in het eerste en tweede schooljaar al regelmatig geoefend bij de 'tekst met vragen'. Het doel van deze opdrachten op het commentaarformlier is dat een schrijver zich af gaat vragen of zijn tekst wel duidelijk is voor de lezer als de commentatoren in hun omschrijving verschil tonen met zijn eigen omschrijving. Bij herschrijven kan hij dan bijvoorbeeld proberen om het doel van de tekst of het onderwerp van een alinea nader toe te lichten. Bij de opdrachten 6 en 7 krijgt de schrijver expliciet informatie over wat voor de lezer nieuw is in de tekst, wat hij mist, overbodig vindt of niet begrijpt. Bij opdracht 8 krijgt de schrijver de mening van de lezers over een aantal aspecten van de tekst, die hem een idee geven hoe de tekst als geheel overkomt. In deze opdracht slaat het waarderingspaar 'simpel/ingewikkeld' op de opbouw, 'gemakkelijk/moeilijk' op de inhoud en 'prettig leesbaar/onleesbaar' op de stijl.

Het leren werken met het commentaarformulier en het toepassen ervan op door de leerlingen geschreven teksten besloeg zeven lesuren van 45 minuten. In les 1 en 2 leerden de leerlingen de opdrachten 1 tot en met 5 te maken. Ze oefenden deze door ze toe te passen op twee teksten uit de jongerenkrant Primeur, geschreven door leeftijdsgenoten. In les 3 kwamen de opdrachten 6 tot en met 8 aan de orde. Nu werd een tekst uit de Primeur gebruikt waaruit informatie was weggeknipt, zodat leerlingen konden aangeven dat er bepaalde informatie ontbrak. Het bleek dat het vooral moeilijk was voor de leerlingen om de antwoorden op de vragen te motiveren. Zo moesten ze er bij opdracht 8 steeds weer op gewezen worden dat 'ik vind de tekst saai omdat hij niet interessant is' geen duidelijke reden bevat voor het saai vinden van een tekst. In les 4 moesten de leerlingen nog een keer alle opdrachten maken, ook nu weer bij een ingekorte tekst uit Primeur. Ze moestenhierna in staat zijn om met het formulier ook op elkaars teksten commentaar te geven.

In les 5 maakten de leerlingen een schrijfopdracht. Ze moesten een artikel schrijven dat in de Primeur geplaatst zou kunnen worden en dat dus bestemd was voor leeftijdsgenoten. Daardoor konden zij bij het commentaar geven optreden als lezers voor wie de tekst bestemd was. Wie zijn tekst niet afkreeg, moest deze thuis af maken. In les 6 vulden de leerlingen voor elkaars teksten commentaarformulieren in. Elke schrijver kreeg commentaar van twee andere leerlingen. Dit vonden ze leuk om te doen. Leerlingen waren ook nieuwsgierig naar wat anderen van hun tekst vonden, maar dat mochten ze deze les nog niet weten. Ze moesten namelijk als huiswerk nog een commentaarformulier voor de eigen tekst invullen. In les 7 werden de commentaren uitgewisseld en onderling mondeling besproken. De leerlingen waren niet in staat mondeling nog veel toe te lichten bij hun schriftelijk commentaar. In veel gevallen was te horen dat de schrijver zich vast wilde houden aan zijn eigen opvattingen over

205