Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Ontmoetingen met het verleden (J.M.J. Sicking)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Ontmoetingen met het verleden

J.M.J. Sicking

Kneppelhouts verhaal 'Waanzinnig Truken', dat uit 1844 dateert, schetst in enkele grote lijnen het korte leven van een vreemd eenzelvig en eigenzinnig meisje. Als zij een jaar of tien is, valt het op dat zij zich in sociaal opzicht nog steeds erg afzijdig houdt: 'Reeds was Truken', staat er dan ter toelichting, 'op een leeftijd gekomen, welke zich andere kinderen zoo gaarne ten nutte plegen te maken, om, zoo al niet door het verdienen van een vast loon, den huisgenooten ten minste door eenig loopwerk, eenige bedrijvige hulp te gemoet te komen en hun in den dagelijkschen, lastigen huisarbeid bij te staan.' Wie bij dit ouderwets aandoende verhaal nog de flauwe hoop heeft uiteindelijk in een pakkend avontuur te belanden, zal snel over zo'n zin heen lezen. Toch zou die juist de aandacht kunnen trekken van een moderne lezer. Enig nadenken leert allereerst dat er hier gezinspeeld wordt op de kinderarbeid, die in de negentiende eeuw nog veelvuldig voorkwam. Wat echter vooral verwondering wekt, is dat de verteller dit verschijnsel niet afkeurt als een sociale wantoestand, maar er op een hooggestemde manier over praat. Hij stelt het voor alsof de kleine kinderen van toen eigenlijk niets liever wilden dan zo snel mogelijk ingeschakeld worden in een veeleisend arbeidsproces, dat veel mensen die met hun handen werkten al vroeg sloopte en voortijdig oud maakte. De woordkeuze, die de economische belangen versluiert, helpt ons beter begrijpen waarom het nog tot 1874 geduurd heeft voordat de arbeid van kinderen officieel werd verboden, althans inzoverre zij onder de twaalf jaar waren en een baantje hadden in een werkplaats of fabriek. De invoering van de algemene leerplicht liet daarna nog ongeveer een kwart eeuw op zich wachten.

Wat Kneppelhout over het meisje Truken te vertellen heeft, is ook om een andere reden merkwaardig. Zoals Marita Mathijsen in een artikel in het tijdschrift Literatuur (juni 1977) heeft laten zien, is er alle aanleiding om het gedrag van Truken op nagenoeg alle punten typerend te achten voor een autistisch kind. Het verhaal staat echter een heel andere interpretatie voor, die inhoudt dat het meisje zich al heel vroeg scherp bewust was van de 'kortheid en onbeduidendheid des levens' en zich daarom, gedreven door doodsverlangen, eenzijdig richtte op het hiernamaals. De dorpelingen die simpelweg dachten dat Truken niet goed bij het hoofd was, vergisten zich dus:

Men kan leerlingen voor negentiende-eeuwse literatuur proberen te interesseren op de manier die bekend staat als die van het 'herkennend lezen'. Het verhaal over Truken kan dan gepresenteerd worden als een vroege beschrijving van een verschijnsel waarover pas in onze tijd druk gesproken en geschreven is. Ik denk niet dat zo'n aanpak veel succes heeft en ben daar ook niet erg rouwig om. Het meisje Truken als autistisch kind, Vondels Luciferfiguur als provo, Anna Bijns als feministe: het blijft toch altijd behelpen en doet onrecht aan de zaak waar het om gaat. Wie zich in de literatuur uit voorbije periodes wil verdiepen, moet zich erop voorbereiden dat hij op reis gaat en dan een andere leefwereld terecht komt. Mensen hebben vroeger niet alleen in heel andere omstandigheden geleefd, maar heben dikwijls ook verrassend

214