Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Ontmoetingen met het verleden (J.M.J. Sicking)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

een goddelijke of andersoortige bovennatuurlijke openbaring zijn, gaat terug op een lange traditie, waarvan met name de bijbel en de klassieke oudheid algemeen bekende voorbeelden bieden. Wat dan opvalt, is dat dit type droom tijdens de eerste decennia van de twintigste eeuw vrijwel geheel uit het verhalend proza verdwijnt, na een korte opbloei in de historische romans uit de neo-romantiek. Wanneer een moderne romancier als Reve in De vierde man nog een voorspellende droom verwerkt, maakt hij dan ook al gauw de indruk even te knipogen naar een vroegere periode.

Naast voorspellende dromen treft men in het verhalend proza uit de negentiende eeuw voornamelijk zogenaamde dagrestdromen aan: grillig aaneengeregen brokstukken van dingen die men overdag beleefd heeft en waaraan verder niet veel betekenis wordt gehecht. Ook in onze eigen tijd komt dat type droom, dat al door Aristoteles is beschreven, voor. Maar veel en veel belangrijker zijn de dromen geworden die er blijk van geven dat iemand vecht met problemen die in een psychologisch vlak liggen. Vanaf het naturalisme beginnen dergelijke dromen in de Nederlandse literatuur een rol te spelen, overigens minder frequent dan men zou verwachten. Typisch Freudiaanse dromen, die duiden op wensen en obsessies waarvan het ware karakter voor de betrokkenen min of meer verhuld is, heb ik bij mijn romanonderzoek tot nu toe pas aan het begin van de twintigste eeuw gevonden, met een verhaal van Van Oudshoorn als treffend voorbeeld. Dit alles lijkt allemaal erg voor de hand te liggen, gezien de late opkomst van de psychologie als wetenschap en het tijdstip waarop Freud zijn befaamde dromenstudie heeft gepubliceerd. Maar dat vanzelfsprekendheidsgevoel verdwijnt plotseling als men zich afvraagt of mensen dan pas na het bekend worden van Freuds theorieën Freudiaans zijn gaan dromen. Heeft het droomleven van de mens in de loop van de tijd grondige veranderingen ondergaan? Is alleen de visie op dromen grondig gewijzigd en blijkt dus eens te meer dat onze beleving in aanzienlijke mate gekleurd wordt door de theorieën die op een bepaald moment in zwang zijn? Of zijn hier allereerst literaire genreconventies in het spel? Dat zijn intrigerende vragen, niet alleen omdat bijvoorbeeld ineens blijkt dat men zich uit de bijbel eigenlijk ook slechts voorspellende dromen herinnert, maar ook omdat de eigen droomwereld niet lang buiten beschouwing kan blijven.

Dromen staan in verhalen en romans meestal niet op zichzelf; ze werken ook al gauw in op de verhaalopbouw. Het zoeken naar verschuivingen in narratieve structuurelementen levert dikwijls veel interessante resultaten op, die allerlei samenhangen zichtbaar maken. Bij het doorbladeren van de Camera obscura valt bijvoorbeeld ook waar te nemen dat in de bloksgewijze gegeven persoonsbeschrijvingen meestal heel precies vermeld wordt tot welke maatschappelijke klasse, tot welke subklasse en welke subcategorie dáár weer van iemand behoort, ook al doet dat voor de rest van het verhaal niet erg ter zake. Verder stuit men bij het langslopen van de gedetailleerde karakteristieken, waarin ook de kleding verhoudingsgewijze veel aandacht krijgt, op een kennelijk nog vast geloof in oude fysiognomische theorieën over de betekenis van lage voorhoofden en andere gelaatskenmerken. Dergelijke denkbeelden blijken dan bij nader toezien rond 1880 opgevolgd te worden door positivistische varianten op de klassieke temperamentenleer.

In de literatuurgeschiedenis zijn heel wat ontwikkelingslijnen te trekken die ook de oudere letterkunde voor leerlingen op een heel directe manier interessant kunnen

216