Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Ontmoetingen met het verleden (J.M.J. Sicking)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

maken en voorkomen dat oudere teksten qua spanning, identificatiemogelijkheden, verhaaltempo, engagement, enzovoorts een oneerlijke concurrentiestrijd moeten aangaan met de meest populaire literatuur uit de eigen tijd: In de aanpak die ik bepleit, zou de voorkeur uit moeten gaan naar onderwerpen waarbij typisch literaire eigenaardigheden samen blijken te hangen met meer algemene ontwikkelingen. Literatuurgeschiedenis heeft immers wel veel te maken met mentaliteits- en cultuurgeschiedenis, maar is daar niet synoniem aan.

In dit kader is het fascinerend om stil te staan bij een onderwerp als de bewustzijnsweergave in romans die in de derde persoon geschreven zijn. (Zie hier ook mijn artikel daarover in De Nieuwe Taalgids van juli 1989.) Aan de hand van enkele fragmenten uit moderne romans, valt aan leerlingen gemakkelijk uit te leggen welke technieken er tegenwoordig gebruikt worden om van heel dichtbij weer te geven wat mensen van binnen denken en voelen. Men kan daarbij een onderscheid maken tussen de directe innerlijke monoloog, de indirecte innerlijke monoloog en de zogenaamde erlebte Rede: kunstgrepen waarmee een romanschrijver kan bereiken wat in het gewone leven onmogelijk is en in de film veel problemen geeft. Gaat men gewapend met deze kennis terug naar de vroege negentiende eeuw, dan blijkt in de eerste plaats dat er toen binnen de hij/zij-romans maar heel weinig aandacht bestond voor de weergave van innerlijk bewustzijn: Als men van tijd tot tijd toch stuit op episodes waarin een personage even alleen op het toneel is en zijn gedachten laat gaan, dan doet hij dat door middel van een soliloquium, dat wil zeggen via een alleenspraak of een zelfgesprek. In onze ogen maakt het een eigenaardige indruk, wanneer mensen langdurig min of meer hardop in zichzelf praten. Maar als Karel de Stoute dat bijvoorbeeld doet in de roman die mevrouw Bosboom-Toussaint over hem heeft geschreven, vindt diens omgeving dat heel gewoon; men wacht op een afstand geduldig het moment af waarop de Bourgondische hertog zijn hart kennelijk voldoende gelucht heeft.

In de Nederlandse roman blijven de romanfiguren tot ongeveer 1870 in zichzelf praten, roepen, schreeuwen, mompelen en sissen. Daarna beginnen ze tamelijk plotseling, op een enkele vloek of uitroep na, alleen nog maar stilletjes in zichzelf te denken. In plaats van de uiterlijke komt nu de innerlijke monoloog tot ontwikkeling, deels doordat het hardop praten vervangen wordt door het zachtjes denken en deels doordat de tekst van de parafraserende verteller en die van het denkende/voelende personage steeds meer met elkaar gaan versmelten. In het buitenland is die ontwikkeling, waaruit in de loop van de twintigste eeuw de bewustzijnsroman als nieuw genre voortkomt, al eerder zichtbaar. Hoe er in dit opzicht stapje voor stapje vorderingen gemaakt zijn, kan gemakkelijk gedemonstreerd worden aan de hand van voorbeelden uit boeken van Couperus, Carry van Bruggen, Vestdijk, Hermans, Claus, Raes, enzovoorts. Extra interessant daarbij is, dat de bewustzijnsweergave niet alleen psychologische doeleinden blijkt te dienen, maar ook de functie krijgt iets zichtbaar te maken van een meer existentiële beleving. Als ik het goed zie, brengt dat ook enkele schrijftechnische bijzonderheden met zich mee.

Allerlei vragen dringen zich bij 'dit onderwerp op. Was het vroeger veel gewoner dan tegenwoordig dat mensen hardop in zichzelf praatten? Of paste het geven van 'inside views' niet bij een presentatiewijze waarin de lezer aan de hand van de verteller werd meegenomen om de dingen met eigen ogen te zien en met eigen oren te horen? Of

217