Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Poëzie in de basisvorming: het nut der regenhoeden? (Wil van der Veur)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Poëzie in de basisvorming: het nut der regenhoeden?

Wil van der Veur

"Weet je wat ik ook altijd al een mooi verzenboek vind?" zei mejuffrouw van Naslaan, het gezelschap rondziende: "het Nut der Tegenspoeden:"

"Wat?" vroeg de heer Dorbeen, droger en komieker dan ooit; het nut der regenhoeden?"

Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw van Naslaan min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar lofrede op het bekende geschrift van Lucretia Wilhelmina, die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek de geest te laten geven:

"Inderdaad " fluisterde zij mijn tante in; het is een heerlijk boek en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je 't met geen droge ogen lezen kunt:" ('De familie Stastok' in de Camera obscura door Hildebrand):

Uit allerlei onderzoeken (Toussaint-Dekker 1987) blijkt dat bij leerlingen in het voortgezet onderwijs de belangstelling voor poëzie gering is. Moeten we de pijp dan maar aan Maarten geven? Moet poëzie het onderspit delven door no nonsense- en nuttigheidsprincipes die ons onderwijs lijken te gaan beheersen? In de eindtermen basisvorming en nieuwe eindexameneisen lijkt poëzie een zachte dood te sterven.

Mijn kritische en sceptische geluiden van de afgelopen vijftien jaar over motivatie van leerlingen in onderwijs in 'expressieve teksten' (onder andere in het tijdschrift Moer 1978; 1988; 1990) zijn nog steeds niet veranderd. Nog steeds vind ik dat je leerlingen moet confronteren met zaken die niet vanzelfsprekend voor hen zijn en waar zij buiten school niet of nauwelijks aan toekomen. Dat een genre als poëzie weinig geliefd is en weinig nut lijkt te hebben, is nog geen reden om dat van een onderwijsprogramma te schrappen: integendeel. Leest iemand buiten en na zijn schooltijd nooit meer een gedicht, het zij zo. Hij kan op school altijd nog algemene taalvaardigheden oppikken uit poëzie. Ik denk hierbij aan het herkennen en gebruiken van 'woordeconomie' (met weinig woorden veel zeggen), van effecten van beeldspraak of 'Barbarber'-taal en woordenspel (dubbel- en meerzinnigheid, letterlijk en figuurlijk taalgebruik). De eindtermen basisvorming zijn zo ruim, dat zij een creatieve docent die goed tussen de regels door kan lezen, voldoende mogelijkheid bieden om zinvol aandacht te besteden aan poëzie in de onderbouw.

Dit brengt mij bij de rol van de docent en zijn invloed op de leesgewoonten van zijn leerlingen. U wist het eigenlijk al: de keuze van de leesstof en de wijze waarop de docent hiermee omgaat zijn bepalend. Je moet als docent overtuigd zijn van de zinvolheid van poëzie, zonder blinde passie enthousiast zijn over alles wat met gedichten te maken heeft, goed kunnen voorlezen en voordragen, een goed inzicht hebben in thema's die leerlingen wel en niet kunnen boeien en didactisch deskundig zijn. Wanneer je verwachtingen daarbij niet te hoog gespannen zijn, is er heel wat te bereiken. Vijftien jaar worstelen in de praktijk met het zoeken naar adequate basislessen hebben geresulteerd in de methode Dichtklapper en ik moet zeggen dat de leerlingen tijdens de experimenten met het materiaal geen hekel kregen aan poëzie.

227