Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Wat weten we van literaire competentie? (Gerard de Vriend)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

pandoer dat elke tekst of elke schrijver voor iedere schoolklas geschikt is. Mijn voorbeelden betekenen wel, dat literaire competentie een veeleisend begrip kan zijn: Er is al voor gewaarschuwd dat het een vakdidactisch containerbegrip dreigt te worden, er zijn kennelijk ook vakinhoudelijke risico's!

Toch lijkt me het begrip literaire competentie zeker bruikbaar als reflectiekader. Ik bedoel daarmee dat het kan aanzetten tot het nadenken over literaire socialisatie in het algemeen en over literatuuronderwijs in het bizonder: Misschien moeten we dus nog maar eens opnieuw beginnen, maar dan wat minder pretentieus. Het zou mooi zijn als we gebruik konden maken van gegevens over het verloop van de literaire ontwikkeling. Het is opmerkelijk dat Annerieke Freeman-Smulders vanuit de bibliotheekwereld, dus niet vanuit de universiteit, publiceerde over het lezen van kinderen.(3) Will van Peer voegde daar vorig jaar Lees meer fruit aan toe. Mondjesmaat werd er dus iets bekend over de uitgangssituatie van jonge lezers die we literair competent willen maken: Maar ik meen dat er op dit punt ook ervaringskennis voorhanden is: Die achterliggende kennis kan bovendien worden geactiveerd in de schoolklas:

Het is namelijk betrekkelijk eenvoudig om enkele tamelijk vaste opvattingen over het lezen van verhalen te traceren: Beginnende letterenstudenten (en waarschijnlijk niet alleen zij) weten bijvoorbeeld niet goed raad met wat tot voor kort het 'andere proza' heette: Als ze iets moeten zeggen over teksten van Jacq Vogelaar blijken hun problemen verbonden met vooringenomen standpunten over verhalende literatuur: Zij vinden onder andere dat een literaire tekst duidelijk moet zijn, dat is: begrijpelijk en doorzichtig qua auteursintentie; die tekst moet samenhang vertonen; er moet sprake zijn van eenheid in handelingsverloop, verhaal en tijd; het verhaal moet waarschijnlijk zijn en leiden tot een genietende houding en bijvoorbeeld níet tot verveling; de lezer moet zich kunnen inleven, etc.

Het lijkt al even gemakkelijk om deze lezers te confronteren met de eigen opvattingen over literatuur: leg ze teksten voor die in strijd lijken met bestaande conventies en bespreek gezamenlijk hun bedenkingen. Ik zal u eens een verhaaltje voorlezen uit De reis van de douanier naar Bentheim van Willem Brakman:

Iedereen hier kan het u vertellen, ieder kind weet dat 'De Borgh' vroeger bewoond is geweest door drie oude kasteelheren: Maar die gingen een dag op jacht, het was Allerzielen dat ze op jacht gingen en hartje winter: Ze jaagden de hele dag door, maar ze konden niets anders vinden dan een zeilschip, dat is zo'n schip dat met de wind meezeilt: Maar de een zei nee, dat is geen zeilschip, en de ander zei dat het een oud huis was waarvan de schoorsteen was weggeblazen door de wind. Ze liepen verder met z'n tweeën, en 's nachts gleed de maan voor de wind uit als een schip dat door de storm wordt voortgedreven. Ze jaagden de hele nacht en vonden niets dan een dode haas in een stoppelveld, maar de ene oude man zei dat het een kalfje was waarvan de moeder was geslacht, of weggelopen, of gestolen, of verdwaald. Een haas zei de ander: Tot ze een uil vonden in een holle boom, een uil met grijze veren, een grijs pluis meer dat uit de holte van de boom hing, en die oude man zei dat het een baard was die pluizig en grijs naar buiten stak en er was er geen meer die dat tegensprak :4

Dit verhaal is ongewoon. Als er namelijk drie oude kasteelheren op jacht gaan, rekenen we er niet op dat ze tijdens het verhaal in aantal verminderen, tenzij gemotiveerd zoals bij de tien kleine negertjes. Verhalen moeten kennelijk een

236