Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Wat weten we van literaire competentie? (Gerard de Vriend)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

duidelijk herkenbare hoofdpersoon hebben en een plot die waarschijnlijk is. Het is eveneens wat vreemd dat wordt uitgelegd wat een zeilschip is: gewoonlijk worden in een verhaal immers slechts dingen verduidelijkt die onduidelijk zijn?

Ik geef u deze voorbeelden zonder verdere bewijsvoering en zonder al te veel pretenties. Ik wil u niets aanpraten over Brakman of over zijn thematiek, oeuvre of poëtica. Het is me niet te doen om een les óver literatuur, maar om een les fn, dat is een ervaring mét literatuur.

Juist een verhaal dat afwijkt kan namelijk dienen om tot het besef te voeren dat er 'verhaalverwachtingen' zijn. Mijn studenten konden gaan inzien dat ze op een bepaalde manier lezen, interpreteren, oordelen. Ze zouden de 'mechanismen' kunnen ontdekken van hun lectuur en leerden eventueel de eigen analyse of het eigen oordeel relativeren. En passant maakten ze kennis met het 'andere proza'. In het studieprogramma ging het daar vooral om: dit proza werd behandeld om de studenten kennis te laten maken met een alternatief van romans en verhalen waarin mussen niet zonder gevolgen van daken vallen. Maar zouden we misschien van 'ander proza' spreken omdat er een andere leeswijze nodig is en mogelijk blijkt?

Dat brengt me op een laatste punt. Ik denk niet dat het zinvol is om zonder meer Vogelaar of Brakman te behandelen in uw schoolklas. Ik denk wel dat het goed is om oog te hebben voor de literaire ontwikkeling, voor verwachtingen en vooringenomen standpunten van uw leerling-lezers. Ik wil daarbij op twee zaken attenderen: Allereerst is er 'ander proza' op allerlei ontwikkelingsniveaus.

Een vluchtige kennismaking met nieuwe boeken voor Nederlands in de basisvorming gaf me dit voorjaar de indruk dat er weliswaar veel voor de jonge lezers herkenbare avonturen in de opgenomen jeugdliteratuur voorkomt, maar dat het literaire avontuur veel minder aanwezig is. Een wat obligate en brave tekstkeuze, concludeerde ik derhalve. Maar helaas dus ook een gemiste kans, want waarom zouden we in de onderbouw niet eens praten over verhalen als De straat waar niets gebeurt van Els Pel-grom, waar werkelijkheid en verbeelding zo maar in elkaar overgaan; de dierenverhalen van Toon Tellegen die een fraai spel van taal en logica vertonen; of het aangrijpende en intertekstueel interessante Het vlot van Wim Hofman? Al zou het dan alleen maar om die ene les gaan: zó kunnen verhalen ook zijn.

Het tweede punt betreft de in de literatuurles gepeilde ervaringskennis over literaire ontwikkeling en competentie. Waar er nog weinig empirische gegevens zijn kan die uiterst nuttig zijn voor de literatuurwetenschap. Want zou het niet mooi zijn als vragen uit de schoolklas opgepikt worden voor een onderzoeksprogramma in de literatuurwetenschap, bijvoorbeeld vragen over literaire competentie?

Noten

  1. Uit B:Buddingh' en K:Schippers, 128 vel schrijfpapier (1967).

  2. In W:F:Hermans, Het sadistisch universum (1964):

  3. A:Freeman-Smulders, Het kinderboek als struikelblok (1983) en Leren lezen is niet genoeg (1990):

  4. Uit W:Brakman, De reis van de douanier naar Bentheim (1983):

237