Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Met het boek open. Kwaliteitscriteria voor schoolboeken Nederlands in de basisvorming (Theo Witte)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Met het boek open.

Kwaliteitscriteria voor schoolboeken Nederlands in de basisvorming Theo Witte

'Kwaliteit ontstaat nooit toevallig maar is altijd het resultaat van een doelgerichte inspanning' (John Ruskin)

Een belangrijk doel van de basisvorming is de kwaliteitsverbetering van de eerste fase van het voortgezet onderwijs. Aangezien de basisvorming voornamelijk een inhoudelijke en didactische operatie is, tekent zich een belangrijke kentering af in het denken over onderwijs. De aandacht verlegt zich op dit moment van allerlei uiteenlopende kwesties op het macro- en mesoniveau, naar de situatie in de klas. Vooral het effect van het onderwijs wordt van groot belang geacht. Zo wordt de aandacht gevestigd op doelen, leerstof en didactiek van de verschillende vakken (Creemers 1991):

Voor het vak Nederlands is de invoering van de basisvorming een belangrijke en ingrijpende gebeurtenis. Het vak was tot voor kort vrijblijvend; een 'leeg' vak noemde Rijlaarsdam (1989) het. Het kende geen vaste doelen en inhouden en werd bovendien bepaald door nogal uiteenlopende visies. Iedere docent kon en mocht het vak Nederlands op zijn eigen wijze geven. Dat leidde soms tot extreme inhoudelijke en kwalitatieve verschillen; ook binnen één sectie. Een soepele bevoegdheidsregeling, een gebrek aan beroepseisen, een onwrikbare rechtspositie en het hoge Nederlandse goed 'vrijheid van onderwijs' hebben ook een prijs: vrijblijvendheid, wildgroei, versnippering en soms bijzonder slecht onderwijs. Het moedertaalonderwijs stond niet borg voor bepaalde onderwijsresultaten en had derhalve geen eigen gezicht. Bovendien was (en is) het bij het moedertaalonderwijs moeilijk om vast te stellen of leerlingen hun taalvaardigheid vergroten dankzij het onderwijs of dankzij hun eigen ontwikkeling. Mede hierdoor heeft het vak bij sommige leerlingen, collega's en ouders geen hoog aanzien: 'Bij Nederlands leer je niets' verzuchtten de leerlingen die Ten Brinke (1983) ondervroeg. Ook de grapjes in de trant van 'Nederlands, dat kunnen we allemaal wel geven' spreken boekdelen. Met de invoering van twintig kerndoelen voor Nederlands in de basisvorming heeft het vak een eigen gezicht gekregen. Hoewel de inhoud en de kwaliteit daarmee nog niet zijn gewaarborgd, denk ik dat de basisvorming een positief effect heeft op het imago en de status van het schoolvak Nederlands: Docenten, lerarenopleiders, nascholers, schoolboekauteurs, leerplan- en toetsontwikkelaars, onderzoekers, kortom alle mensen die met het schoolvak te maken hebben, weten nu wat er van hen wordt verwacht en kunnen hun krachten bundelen. Zo'n collectieve krachtsinspanning moet wel leiden tot kwaliteitsverbetering: zie het motto boven dit artikel.

Wanneer er sprake is van een inhoudelijke en didactische vernieuwing hebben de schoolboeken een sleutelrol: zij leveren in eerste instantie de middelen waarmee docenten en leerlingen de kerndoelen moeten zien te realiseren. Dit uitgangspunt was de aanleiding om de vraag te stellen in welke mate nieuwe, zogenaamde basisvormingsmethoden aan de eisen van de basisvorming voldoen. Op het moment dat ik die vraag stelde, waren er vier methoden 'helemaal klaar voor'. Het lag zeer voor de hand deze methoden met elkaar te vergelijken en aan de doelen van de basisvorming

243