Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Met het boek open. Kwaliteitscriteria voor schoolboeken Nederlands in de basisvorming (Theo Witte)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Hoewel er nog weinig onderzoek gedaan is naar praktische kwaliteiten als gebruiksgemak, efficiëntie, aantrekkelijkheid, differentiatiemogelijkheden en dergelijke moet het ook mogelijk zijn hiervoor valide criteria te ontwikkelen. Ik baseerde mij op het onderzoek van Creemers (1990 en 1991), Lagerweij (1990) en Reints e.a. (1988). Enig aanvullend onderzoek kan de criteria voor de praktische bruikbaarheid die ik, hanteerde, verder inhoud geven en valideren. Het probleem van de validiteit van de beoordeling is dus oplosbaar. Waarbij ik wel de kanttekening plaats, dat het gebruik van een kwalitatief goede methode noch een noodzakelijke, noch een voldoende voorwaarde is voor kwalitatief goed basisvormingsonderwijs: er zijn leraren en leerlingen die ook met gebrekkige middelen goéde resultaten behalen, terwijl andere leraren en leerlingen nog niet met de beste middelen tot goede resultaten komen.

Een zorgpunt is de betrouwbaarheid van een beoordeling. Ten aanzien van de betrouwbaarheid is met bovenstaande demonstratie voldaan aan een belangrijk wetenschappelijke eis, namelijk de controleerbaarheid: Echter, hiermee is het betrouwbaarheidsprobleem niet opgelost. In de inleiding van dit artikel vergeleek ik het beoordelen van schoolboeken met het beoordelen van opstellen: Ik denk dat de problematiek vergelijkbaar is: Over de beoordelingsproblematiek van opstellen wordt regelmatig gepubliceerd (o.a. Wesdorp 1981, Rijlaarsdam en Van den Bergh 1986, De Glopper 1989, Kuhlemeier en Van den Bergh 1989, Schoonen 1991). Hierin worden ook methoden genoemd die de betrouwbaarheid vergroten. Hoewel het nog wel enige moeite zal kosten om zulke methoden voor Het beoordelen van schoolboeken te operationaliseren, denk ik dat een combinatie van twee door Schoonen en De Glopper (1992) genoemde methoden soelaas kan bieden, namelijk jurybeoordeling en beoordelingsschalen. De jurybeoordeling spreekt voor zichzelf. Door meer beoordelaars te gebruiken wordt de intersubjectiviteit van een oordeel vergroot. De betrouwbaarheid van een jury-beoordeling kan verder worden vergroot door een beoordelingsschaal te gebruiken. Zo'n schaal dient dan per criterium een reeks duidelijk gemarkeerde ijkpunten te bevatten, bijvoorbeeld door een 5-puntsschaal te koppelen aan lesvoorbeelden die de waardering (+ +, +, ±, --) als het ware ijken. Bij de evaluatie van de jurybeoordeling van Goed Nederlands kwamen de juryleden ook tot deze conclusie (Witte 1993):

4.2 Ritzen: 'Lesmateriaal moet getoetst op kwaliteit'

Kwaliteitszorg hangt in de lucht. In allerlei bedrijfstakken is kwaliteitszorg een normaal verschijnsel geworden. Ook in het onderwijs kunnen we dit waarnemen. Het Periodiek Peilingsonderzoek is er een voorbeeld van. Voor het hoger en wetenschappelijk onderwijs heeft men visitatiecommissies ingesteld om onderwijsprogramma's te evalueren. Volgens minister Ritzen zou ook lesmateriaal moeten worden getoetst op kwaliteit (De Volkskrant, 5 november 1993). Deskundigen en gebruikers zouden volgens hem lesmethoden op bruikbaarheid en effectiviteit moeten toetsen. Ik ben het van harte met hem eens. Het maatschappelijke belang van kwalitatief goede leermiddelen is evident. Er is veel kapitaal mee gemoeid: niet alleen materieel, maar ook de tijd en energie van docenten en leerlingen, en bovenal de taalvaardigheid en taalontwikkeling van een nieuwe generatie. Dat stelt hoge eisen aan docenten en methoden Nederlands. Aangezien het aanbod van basisvormingsmethoden zeer hoog is -alleen voor Nederlands zijn inmiddels al veertien totaalmethoden op de markt gebracht- en de kwaliteit nogal wisselt, is het voor docenten moeilijk een verantwoorde keuze te maken. Dit leidt vaak tot een arbitraire en soms tot een slechte keuze. Een sectie zou

252