Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Met het boek open. Kwaliteitscriteria voor schoolboeken Nederlands in de basisvorming (Theo Witte)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Uit: Over en weer

7 Hobby's 135

8 SCHRIJVEN:. WERKSTUK.

In een werkstuk geef je informatie over een zakelijk onderwerp, bijvoorbeeld over surfen of over een popgroep. Het is net zoiets als een informatief artikel in een krant of tijdschrift.'

Oefening zo

Kies een hobby waar je iets vanaf weet en waar je een werkstuk over gaat maken (voor klasgenoten).

a Bedenk informatie over de gekozen hobby:

kies minstens drie van de vragen hiernaast en noteer in telegramstijl zoveel mogelijk antwoorden. Let op: vraag t moet je altijd kiezen.

b Maak een lijstje van je antwoorden:

  • streep de dingen door die je niet geschikt vindt voor je werkstuk;

  • zet de overgebleven dingen in een goede volgorde (nummeren), en

  • schrijf ze netjes onder elkaar over.

Bewaar je lijstje voor volgende oefeningen.

Oefening 21

a Zoek extra-informatie over de hobby die je bij oefening zo hebt gekozen. Haal die uit verschillende informatiebronnen: kranten, tijdschriften, TV-programma's, encyclopedieën, bibliotheekboeken.

b Schrijf je lijstje van de vorige oefening over en voeg de extrainformatie roe (in telegramstijl en op de goede plaats).

c Noteer onderaan de naam van de gebruikte informatiebronnen.

Oefening 22

Schrijf het werkstuk voor je klasgenoten.

a Werk je lijstje van de vorige oefening(en) eerst uit in het klad. Denk aan een:

  • inleiding (met het antwoord op vraag i)

  • middenstuk (met de andere antwoorden, verdeeld over alinea's)

  • slot (één of meer kernachtige zinnen waarmee je het artikel afsluit)

  • titel en - als je dat nodig vindt - kopjes boven de alinea's. Sla bij kopjes een regel over tussen twee alinea's.

b Laat je kladwerk lezen aan een andere leerling. Is alles duidelijk? Wat moet je nog verbeteren?

c Verbeter je werk en schrijf het in her net. Hou je aan de 4 schrijfregels: blad goed indelen, goed leesbaar schrijven, hoofdletters en leestekens gebruiken, geen spelfouten maken. Je kunt illustraties opnemen.

Bewaar je lijstje van de vorige oefening(en) voor oefening z.i..

Vragen (beantwoorden in

telegramstijl)

la Over wie of over wat gaat het? (je onderwerp)

b Wat voor iemand of iets is dat?

2 Waar gebeuren de dingen?

3 Wanneer gebeuren de dingen?

4 Hoe gebeuren de dingen? S Waarom of waardoor gebeuren de dingen?

6 Wat is het gevolg?

7 Wat zijn de voordelen en/of de nadelen?

8 Wat is ervoor of ertegen te doen?

9 Wat vind je er zelf van?

1 Een werkstuk wordt ook wel (informatief) opstel genoemd

254