taalunieversum

Direct naar menu
U bent hier: taalunieversum » onderwijs » conferentie het schoolvak nederlands »

Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)


Bijdrage: Beoogd betoog (Antoine Braet)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

meen gehouden toelichting, waarmee ik vooral beoog de eisen en de beoordeling te verhelderen. Overigens moet bij voorbaat opgemerkt worden dat de criteria zich met behulp van omschrijvingen maar moeizaam laten concretiseren. De videobanden werken veel beter. Verder is voor een optimaal begrip kennis van de achterliggende retorische argumentatieleer gewenst. Het allerbelangrijkste is evenwel de criteria voor zichzelf inhoud te geven door jarenlange toepassing.

1 INHOUD

1.1 en 1.2 Stelling (standpunt) en argumentatie vormen de enige strikt noodzakelijke inhoudscomponenten van een betoog. Beide onderdelen hangen nauw samen. Een onduidelijke stelling leidt tot argumentatie die onvoldoende gericht is. De kwaliteit van beide onderdelen én hun onderlinge samenhang hoort zwaar te wegen.

Beginnende betogers hebben moeite met het verschil tussen het noemen van het onderwerp en het duidelijk formuleren van een standpunt: een uitspraak over een onderwerp die vraagt om argumentatie. Er zijn verschillende soorten stellingen die om bijpassende soorten argumentatie vragen. Het meest geschikt zijn waardeoordelen van het type 'X is verwerpelijk/verkieslijk, etc' en 'aanbevelingen' van het type 'X moet gedaan/nagelaten worden' (zie Braet 1991 voor verdergaande en moeilijkere richtlijnen voor betogen over dit type 'beleidsstellingen). Stellingen zijn vaak te algemeen, te vaag, onduidelijk qua bereik. Te weinig wordt ingezien dat een stelling aan een meningsverschil ontleend moet zijn en gekozen moet worden met het oog op beschikbare overtuigende argumentatie.

Aan de argumentatie kunnen minimale en meer pretentieuze eisen gesteld worden. Op de laatste ga ik om twee redenen niet in: hier kan geen samenvatting van de argumentatieleer gegeven worden, en dit soort eisen zijn in het voortgezet onderwijs te veel gevraagd. Overigens is de overgang tussen minimaal en pretentieus vloeiend. Redelijke minimale eisen lijken:

geen opsommingen van onuitgewerkte argumenten, maar een beperkt aantal voldoende uitgewerkte argumenten;

waar nodig (vooral bij feitelijke argumenten) moeten argumenten steunen op adequate documentatie/kennis van zaken;

de gebruikte redeneringen (waarmee verband gelegd wordt tussen subargumenten-argumenten-stelling) moeten -intuïtief beoordeeld- logisch zijn; anders gezegd: de (sub)argumenten moeten relevant lijken;

er moet in elk geval in die zin rekening met tegenstanders gehouden worden dat pogingen ondernomen worden om tegenargumenten te weerleggen.

1.3 Volgens het gepresenteerde schema moet een betogende voordracht aantrekkelijk gemaakt worden voor het gehoor door onder meer een publiekgerichte inleiding en dito slot. In tegenstelling tot de twee vorige criteria is deze, typisch retorische, eis discutabel. Sommigen zullen de eis irrelevant of zelfs misplaatst vinden. Als men de eis onderschrijft, zal men deze moeten concretiseren. Men kan minstens aan twee richtingen denken: het verlevendigen door herkenbare voorbeelden van de stof; en het betrekken van het onderwerp, het standpunt of de argumentatie op het gehoor (de kunst is dit niet geforceerd te doen).

45

© Nederlandse Taalunie, 2000-2012 alle rechten voorbehouden
WegwijzerColofonContactVrijwaringOpmerkingen en reacties