Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Beoogd betoog (Antoine Braet)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

1.4 Niet elk betoog, maar wel bijna elk betoog vereist voor een goed begrip dat de spreker achtergrondinformatie geeft, termen uitlegt etc. Die toelichtingen moeten voor het publiek begrijpelijk zijn, maar vooral ook relevant voor het betoog. Er mag niet te weinig, maar vooral ook niet te veel gezegd worden.

2 ORDENING

2.1 In het betoog moet voor het gehoor een duidelijke geleding in grootste samenstellende delen te herkennen zijn. De 'paragrafen' moeten op de juiste plaats staan, de juiste proporties en de passende inhoud hebben; er mag bijvoorbeeld geen achtergrondinformatie verdwaald zijn in de argumentatie. Overigens zijn goed doordachte afwijkingen van het standaardpatroon inleiding-achtergrondinformatie-argumentatieslot welkom!

2.2 Vaak slagen sprekers er wel in de grote lijnen duidelijk te houden, maar maken ze van elk onderdeel op zichzelf een willekeurige brij. Vooral de inleiding en de argumentatie vragen om een zorgvuldige interne ordening. De gekozen volgorde moet het publiek niet willekeurig, maar weloverwogen voorkomen. Er moet hoe dan ook een intuïtief herkenbare systematiek in zitten.

23 Zelfs in een perfect geordende voordracht is enige explicitering van de indeling gewenst: het mondelinge medium vraagt daarom. De kunst van de spreker is hier duidelijk te zijn zonder schools te worden. Goed gedoseerde en gecamoufleerde aankondigingen, overgangspassages en terugblikken en signaalwoorden zijn de aangewezen middelen. Van belang is dus het verwoorden van de aanduidingen (punt 2.3 betreft in feite de verwoording, maar laat zich beter hier beoordelen).

3 VERWOORDING

3.1 en 3.2 De taalkundige correctheid en de begrijpelijkheid van de formuleringen kunnen bij erg onbeholpen voordrachten te wensen over laten, maar in het algemeen onderscheiden sprekers van dit niveau zich niet erg van elkaar op deze punten. Wel heeft gebrekkige spreektechniek (punt 4.1) soms gevolgen voor de correctheid en begrijpelijkheid van het taalgebruik.

33 De zwaarste en opnieuw subjectief-retorische eisen betreffen de aantrekkelijkheid en de gepastheid van het taalgebruik, in het bijzonder in het begin en slot. De aantrekkelijkheid heeft onder andere te maken met het gebruik van beeldspraak en stijlfiguren: met een vraag beginnen, bijvoorbeeld. Gepastheid houdt in dat men zich in elk geval aan het medium en de situatie aanpast: geen schrijftaal, maar ook geen al te informele stijl.

4 VOORDRACHT

4.1 De spreektechniek moet zodanig zijn dat er met gemak en plezier naar de voordracht geluisterd kan worden. Een zekere dynamiek is welkom. Veel is hier afhankelijk van de van nature gegeven stemkwaliteit. Van belang is de onderlinge afstemming van stemvoering en non-verbale middelen, onder andere door adequate pauzering.

4.2 en 43 Opnieuw gaat het hier om een specifiek retorische eisen. Vanuit retorisch standpunt is het van het allergrootste belang dat er sprake is van interactie tussen

46