Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Taalkunde in de basisvorming (Carl Brüsewitz & Marja Out)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

Taalkunde in de basisvorming

Carl Brüsewitz en Marja Out

1 Inleiding

Eén van de doelstellingen van de basisvorming is: 'Het accent ligt (...) op het leren de taal actief te gebruiken en op het hebben van inzicht in de functies van taal en de aan die functies gekoppelde taalvormen' (Verbeek 1993:12). Het lijkt ons verdedigbaar om de inhoud van het vak mede te laten bepalen door de toepassingsmogelijkheden ervan. Vandaar dat de vraag: 'Over welke taalkundige kennis moeten de leerlingen beschikken?' bepaald wordt door twee factoren: de toepassingsmogelijkheden binnen het vak Nederlands en de vraag van de kant van de moderne vreemde talen. In deze bijdrage verkennen we deze twee factoren. Er zal echter meer onderzoek moeten plaatsvinden om de vraag te beantwoorden.

2 Moedertaaldidactiek en het 'grammatica-schandaal'

Het ontleden in zinsdelen en het benoemen van woordsoorten kent onder moeder-taaldidactici meer tegenstanders dan pleitbezorgers. Wij zullen hier niet schetsen sinds welk grijs verleden de discussie zich voortsleept. Twee bezwaren vormen de kern van de kritiek op dit grammatica-onderwijs. Het eerste luidt: leerlingen kunnen na jaren meestal niet gewaardeerd onderwijs nog niet behoorlijk ontleden. Het tweede: dit onderwijs slaagt er ook niet in verderweg gelegen doelen in het domein van taalvaardigheid te bereiken. Dat behoeft, als het eerste bezwaar terecht is, geen verwondering meer te wekken, maar je komt het wel afzonderlijk tegen. Wij gaan ervan uit dat de discussie nog niet geëindigd is. Stutterheim (1954) merkt op:

'De didactiek van het onderwijs in de moedertaal is een gebied waarop het denken al heel gemakkelijk kan ontsporen. Dit blijkt, als men publicaties over een der meest principiële problemen van de taaldidactiek op hun wetenschappelijkheid onderzoekt. Dit probleem luidt: 'Kan - en eventueel: hóe kan - de taalbeschouwing aan de taalbeheersing ten goede komen? Heeft met name het bestuderen van de Nederlandse spraakkunst voor een Nederlander enig taal-practisch nut?"

Dit lijkt ons onverminderd relevant, als we even voorbijzien aan de bewoording: Stutterheim zal, doordat hij het probleem beperkt tot Nederlanders, wel niet bedoeld hebben dat voor Vlamingen het nut van de bestudering van de Nederlandse spraakkunst evident is. Wij achten het nog te vroeg om de discussie die zo lang de moedertaaldidactiek geteisterd heeft, voor eeuwig onbeslist te verklaren. We hopen u van een aantal argumenten te voorzien voor de stelling dat in de basisvorming Nederlands taalbeschouwing, waaronder ook grammatica, niet gemist kan worden.

De strijd tussen voor- en tegenstanders van schoolgrammatica lijkt in een aantal opzichten op die rond een hervorming van de spelling van het Nederlands. Er wordt wel veel beweerd, maar de argumenten overtuigen niet voldoende. Een niet onbelangrijk verschil lijkt ons dat in het spellingdebat de afschaffing van een uniforme spellingregeling niet serieus bepleit wordt. We zouden daarmee weer geraken in de

49