Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Taalkunde in de basisvorming (Carl Brüsewitz & Marja Out)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

daarvan 'doorsijpelt' naar het onbewuste taalproduktieapparaat van de leerder weten we niet, maar als de leerder er niet eens op taalgericht toepassingsniveau goed en makkelijk mee kan werken, kan er absoluut ook niets doorsijpelen.' (p. 434)

Het zal inmiddels duidelijk zijn dat we het oneens zijn met de uitspraken over de rol van taalkunde van de bavo-commissies (zie citaat 1 en 2).

6 Aanbevelingen

Het lijkt ons op z'n minst noodzakelijk dat de taalwetenschap meer aandacht heeft voor de relatie tussen verwerving van moedertaal en vreemde taal. Het zou heel mooi zijn als leraren(opleiders) uit dergelijk onderzoek richtlijnen voor de taaldidactiek zouden kunnen halen. Als taalkunde in het mto een basis kan vormen voor het mvt-onderwijs, dan heeft het bestaansrecht in de basisvorming. We zullen moeten onderzoeken welke grammaticale principes bekend verondersteld moeten worden als een leerling een moderne vreemde taal leert. We zullen ook moeten onderzoeken wanneer die principes aan bod moeten komen. Het lijkt op grond van twee overwegingen nuttig om die 'basisgrammatica' in één keer voor alle talen aan te bieden:

  1. De behandeling van algemene, grammaticale principes op één moment is efficiënt: je kunt volstaan met één uitleg. Bovendien doe je daadwerkelijk aan transfer. Het TVS-model (Toepassing, Vaardigheden, Samenhang) dat 'gedestilleerd' is uit de bavokerndoelen voor alle vakken, lijkt een dergelijke aanpak te ondersteunen.

  2. De behandeling van grammaticale principes die fundamenteel zijn in westerse talen, kan leerlingen zich bewust doen worden dat ze al heel wat taalkennis hebben voor ze een taal leren. Het is de taak van een docent om de leerlingen die taalkennis te leren gebruiken. Het lijkt ons het beste om dat te doen aan de hand van de moedertaal. Ideeën omtrent het bestaan van een aangeboren basis van het taalvermogen vormen volgens ons een ondersteuning voor deze aanpak.

In de 'basisgrammatica' zouden als deelgebieden onderscheiden kunnen worden: klankleer, woordsoortenleer, zinsdeelleer en grammaticale constructies. Ook klankleer dus, hoewel juist daar elke taal zijn eigenaardigheden heeft; een vergelijking tussen talen inzake bijvoorbeeld aspiratie, nasalisatie, en Auslautverhärtung is echter heel verhelderend. Verder is het noodzakelijk dat de leerlingen de invloeden zien die de deelgebieden op elkaar hebben. Zo hebben onderwerp en lijdend voorwerp doorgaans een naamwoord als kern. De passieve zin en het begrip negatie veronderstellen de aanwezigheid van bepaalde zinsdelen en woordsoorten.

Natuurlijk moeten er afspraken gemaakt worden tussen talensecties omtrent het moment van de aanbieding van de stof. We zijn ons ervan bewust dat zo'n samenwerking tot nu toe niet echt tot stand is gebracht. Maar misschien kunnen de talendocenten de grenzen van hun gedroomde koninkrijken openzetten. Een basisgrammatica vereist echter niet alleen samenwerking op schoolniveau; de grammatica zal moeten worden samengesteld en in de redactie kunnen niet alleen neerlandici zitten. Dan moeten de lerarenopleidingen nog de toekomstige docenten voorbereiden op deze grammatica-aanpak. Deze samenwerking laten stranden op praktische bezwaren zou een gemiste kans zijn (zie citaat 2).

55