Doorzoek alle bundels

Zoek in de bundels:
Uitgebreid zoeken »

Bundel 7 | Zevende conferentie Het Schoolvak Nederlands (1994)

Bijdrage: Postmoderne Oosteuropese teksten (Martine de Clercq)
Download deze bijdrage in PDF-formaat »

pen in de psychologie van de hoofdfiguur. In het begin van het verhaal bedriegt de hoofdfiguur de mensen om in leven te blijven; het is een sluwe sukkel. Hij doet onvermijdelijk denken aan de picareske figuur, Lazarillo de Tormes. Bij Hrabal is het volk nooit een ideologische constructie, maar hij ziet het als een bende die profijt tracht te halen uit de situaties die de politici hebben gecreeërd. Na het 'Praags hotel' komt de hoofdfiguur terecht in 'Hotel de Stilte', vervolgens komt hij weer terug in Praag, waar hij de kelner die 'de koning van Engeland heeft bediend' ontmoet. Bij hem leert hij inzicht in de mensen te krijgen. Door een nalatigheid van een andere kelner kan onze hoofdfiguur de keizer Haile Selassi bedienen. Daarvoor krijgt hij een ereteken, warmee hij de rest van het boek zal pronken. Hij komt ook in contact met Liza, een Duitse vrouw die hij beter leert kennen. Hij sympatiseert met de nazi's. Na haar dood, ontdekt hij haar koffertje met postzegels die ze van Joden had afhandig gemaakt, en opent een hotel. Bij de komst van de kommunisten in 1948, wordt hij als miljonair, geïnterneerd. Het kamp wordt opgeheven en de miljonairs moeten gaan werken. Onze held wordt naar afgelegen gebieden gestuurd waar hij in eenzaamheid gelukkig wordt. In de eenzaamheid van de winter schrijft hij zijn verhaal.

Hrabal wil vooral het leven vatten in al zijn paradoxen; in zijn kleinheid en grootsheid. Andere werken zijn Gekortwiekt, Amsterdam, Bakker, 1991 (oorspronkelijk verschenen in 1976). Het is een kroniek van het dagelijkse leven, gezien door de ogen van een levenslustige jonge brouwersvrouw, die op een ultiem moment de hoge schouw beklimt om beter van de wereld te genieten, of die haar haartooi aanpast aan de nieuwe tijden (cf. de titel). Het stadje waar de tijd stil is blijven staan, Amsterdam, Bakker, 1993 (oorspronkelijk verschenen in 1991; geschreven in 1973), sluit aan bij het hierboven vermelde werk. Dezelfde personages figureren in hetzelfde decor; een bierbrouwerij in een klein Boheems stadje. De ik-verteller is het zoontje van Francin en Maryska. Centraal staat oom Pepin; een babbelaar, een Rabelaisiaanse figuur die boordevol grillig-poëtische verhalen zit en die de jeugd van de ik-figuur kleurt tot aan zijn dood, bij de communistische machtsovername.

Voor Hongarije ging onze voorkeur naar G.Konrad en P.Esterhazy. De eerstgenoemde, geboren in 1933, als zoon van een joodse ijzerhandelaar, verloor zijn familie en vrienden in Auschwitz. Hij studeerde filosofie, werkte als journalist, bibliothecaris, kinderrechter, hulpverpleger in een psychiatrische instelling. Zijn eerste roman is De bezoeker (1969; in Nederlandse vertaling, uitgegeven bij Van Gennep, 1990). Daarin verwerkt hij zijn ervaringen als ambtenaar van de kinderbescherming en stelt hij de cruciale vraag naar de grens tussen sociaal engagement en zelfdestructie. Zijn volgende boeken kenden verspreiding in de samizdat. In 1974 werd hij gearresteerd als medeauteur van het later in het westen gepubliceerde, De mars naar de macht van de intellectuelen. Hijzelf besloot niet te emigreren. Hij bleef Hongarije en het Hongaars nodig hebben. Hij bleef vaak over de Oost-Westverhoudingen discussiëren, zoals in Langzame opmerkingen in een snelle tijd..Hij kreeg de Vredesprijs van de Duitse boekhandel in 1991.

In De medeplichtige (1987; Nederlandse vertaling bij Van Gennep, 1990) gaat het over het verblijf van de ik-verteller in een psychiatrische instelling, maar tevens wordt een stuk Hongaarse geschiedenis intens verwoord. T, de ik-verteller, vertelt over zijn joodse jeugd in een provinciestadje, over zijn rol in het communistische verzet, zijn arrestatie, zijn tijd aan het oostfront, zijn desertie, hoe hij na de bevrijding als

73